Lezersrecensie
Achter jezelf aan dwalen zonder jezelf ooit te vinden.
De Poolse schrijver Wieslaw Mysliwski (geboren in 1932) is een grootheid in zijn eigen land, en na "Over het doppen van bonen" ook bij ons. Zelf was ik helemaal flabbergasted van "De horizon" en "Steen op steen", maar ook zijn andere vertaalde boeken las ik graag. Met dank aan meestervertaler Karol Lesman. En ik vermaakte mij prima met zijn nieuwste roman "Het oog van de naald" , een sprankelend boek van een ruim 80- jarige schrijver. Niet zo geniaal misschien als "De horizon", maar wel weer vintage Mysliwski. Want welke andere schrijver strooit zo rijkelijk met zinnen als: "Vooral omdat je winterstappen veel eerder kunt horen dan zomerstappen, de stilte draagt ze al van verre aan". Of: "Naaktheid heeft behoefte aan begrip van iemands ogen".
Twee mannen treffen elkaar op de stenen trap van Het Oog van de Naald, een smalle doorgang in een stokoud stadje. Een van de twee is op weg naar de groene vallei, die echter niet meer bestaat. Een van de mannen beklimt de trap, de ander daalt hem af. Maar soms weten ze geen van beiden meer wie er nu afdaalt en wie er nu opklimt. Bovendien, ze zijn elkaars andere ik. Of, beter: de jonge en nog verwachtingsvolle ik- figuur komt zijn oudere en meer door het leven getekende ik tegen, en omgekeerd. Beiden wachten op een jonge vrouw, de ene pas sinds kort en vol verwachting, de ander zijn leven lang en zonder hoop. In de verhalen die zij elkaar vertellen raken het (soms gedroomde) heden en het (eveneens soms gedroomde) verleden totaal met elkaar vermengd. Net als droom en werkelijkheid, of fictie en herinnering. En soms weet je als lezer niet wie er als ik- figuur aan het woord is: de oude ik, de jonge ik, of een soort vermenging van beiden. "Het leven is achter jezelf aan dwalen zonder de hoop te hebben jezelf ooit te vinden", zegt de ene ik op een gegeven moment tegen de andere. "En is wat wij weten niet alleen een achter onszelf aan dolen? ", zo mijmert een van de ikken later in het boek. Aldus doolt de ik- figuur door zijn steeds veranderende herinneringen, die een steeds ander licht werpen op wie hij was, is, of ooit zou gaan worden. Alsof het verleden hem maakt tot wie hij is, maar het heden tegelijk steeds zijn perspectief verandert op wie hij was. Alsof zijn voorgeschiedenis steeds andere gedaanten aanneemt in zijn hoofd, waardoor ook steeds zijn beeld verandert van wie of wat hij nu is, en alsof ook het beeld van zijn toekomst voortdurend wordt gewijzigd. Dat voortdurende heen en weer tussen heden, verleden en toekomst leidt tot stemmige bespiegelingen als: "De tijd is een sluwe vos en soms ook een gemene [...]. Niets is bedrieglijker. Hij trekt ons mee waarheen hij wil. Naar achteren toen wij er nog niet waren en naar voren als wij er niet meer zullen zijn. Hij speelt met ons in de wetenschap dat wij toch niets kunnen uitrichten. Het is niet zo moeilijk te spelen met de mens".
Dit klinkt als een erg ingewikkelde constructie, die wel heel zwanger is van symboliek: dat Bijbelse beeld uit de titel, die groene vallei, die trap des levens. waarop de ik- figuur zichzelf in meerdere levensstadia tegenkomt.... Maar de meesterverteller Mysliwski geeft dit alles vorm in een roman die leest als een trein. Of liever in een baaierd van vertakkende en aan elkaar geregen verhalen. Verhalen bovendien die volkomen anekdotisch lijken, maar die werelden van raadselachtige weemoed oproepen tussen de regels door. Hoe smakelijk en grappig en onderhoudend ze vaak ook zijn. Op enig moment denkt de ik- figuur bijvoorbeeld, stemmig mijmerend, "Dromen weten veel meer over ons dan wij over onszelf weten. Want wat weten wij eigenlijk? ". Vervolgens wordt hij overvallen door een droom, waarin een scene wordt herhaald die al meerdere keren, in steeds net andere vorm, in het boek is voorgekomen: de scene waarin de ik- figuur vergeefs wacht op een meisje. Elke keer weer zit die scene vol in stilte gesuggereerde weemoed en vergeefsheid, en door de herhalingen ervan- en alle subtiele betekenisverschuivingen tussen die herhalingen- krijgt de scene naar mijn gevoel het karakter van een traumatische obsessie die de ik- figuur voortdurend bespookt. Zo ook nu hij over dat vergeefse wachten droomt. Alleen, deze keer komt het meisje wel. Maar in deze droom zegt ze: "Ga hier staan. Laten we een foto maken. En glimlachen. Dit wordt onze trouwfoto. Dichterbij, niet bang zijn. Kijk eens wat een mooie foto. Na jaren zal hij ons ontroeren. Dan blijft er van ons tenminste nog ontroering over". De ik- figuur reageert hier niet op, geeft er ook geen commentaar op. Maar wat een weemoed spreekt er uit die laatste zin. En wat is het navrant dat het meisje, nu ze in zijn droom dan eindelijk WEL komt, precies die weemoedige zinnen uitspreekt. In een droom, die veel meer over de ik- figuur weet dan de ik- figuur over zichzelf weet.
"Het oog van de naald" staat vol met zulke weemoedige verhalen, dromen en herinneringen. Ook zijn er veel verhalen die anderen aan de ik- figuur vertellen, en die op de een of andere manier tot zijn persoonlijke geschiedenis zijn gaan behoren. Verhalen ook vol sfeerbeelden uit de Poolse geschiedenis, van voor, tijdens en na de Tweede Wereldoorlog. Al die verhalen zijn fragmentarisch, onafgerond, vol van onuitgesproken suggesties, en met open eind, of ze nou worden verteld door de ik- figuur zelf of door een van de vele andere personages. Maar juist die suggestieve openheid, en die onmogelijkheid om de verhalen definitief af te ronden, maakt het vertellen ervan tot een essentiële levensbehoefte: "Haar verhalen bleven maar rondgaan. Is dat zo gek? Alle overledenen vertellen nog lang na hun dood hun verhalen, want niemand is in staat om alles tijdens zijn leven te vertellen. Daarvoor zou je tot in de oneindigheid moeten leven. Een verhaal kent niet zoiets als een einde, met uitzondering misschien van het einde van de wereld. Vandaar dat miljoenen, wat heet, miljarden mensen nog steeds zichzelf vertellen in de hoop dat ze worden gehoord".
De ik- figuur dwaalt kortom in meerdere gedaanten van meerdere leeftijden achter zichzelf aan, zonder zichzelf ooit te vinden. En komt in aanraking met allerlei personen die net zo dwalen als hij. Over dat dwalen vertelt hij, en rijgt hij het ene dwalende en dolende verhaal aan het andere. Eigenlijk zonder ooit op te kunnen houden, want ook het allerlaatste hoofdstuk eindigt met een open eind. Een eind dat ik juist door zijn openheid heel bevredigend vond, al vond ik het jammer dat het boek uit was. Want Mysliwski had wat mij betreft nog wel ruim 400 bladzijden mogen toevoegen aan deze 450 bladzijden dikke roman.