Lezersrecensie
Intrigerend ongerijmde poezie
Fritzi Harmsen van Beek werd in de jaren ‘60 en ‘70 legendarisch door haar onnavolgbare poëzie en haar al even originele prozagedichten. Critici vonden haar werk cryptisch en duister, maar fans als Bernlef, Hugo Claus, Charlotte Mutsaers en Kees Fens vonden haar een van de grootste dichters die Nederland ooit heeft gehad. Ook was ze – zeer tegen haar zin overigens - beroemd door haar onconventionele levenswandel. Toch raakte zij in de vergetelheid. Maar nu, jaren later en zes jaar na haar dood, is voor het eerst al haar literaire werk gebundeld.
Haar stijl is associatief, excentriek, en heel oorspronkelijk. Een van haar vroege gedichten gaat over een neerslachtige poes, die getroost wordt omdat al haar jongen zijn gestorven. Het begint zo: ‘Goede morgen? Hemelse mevrouw Ping/is U de zachte nacht bevallen, hebben de on/deugende, geheimzinnige planten naar behoren/gegeurd en zijn hopelijk geen van uw overige/ zuigelingen aan de builenpest bezweken?/Hebt u de interessante nerveuze godvruchtige/ vogeltjes, vrome goedertierende mevrouw, al wel/ bekeken, druk telefonerend van: hallo met Piet,/ kom je op mijn tak – o de sierlijk levendige/ vogels, allemaal allemaal voor de brave poes,/ die veel beproefde droevige moeder.’ Verrassend, die plechtstatige toon in een gedicht over een poes. Maar even verrassend – en moeilijk te rijmen met de plechtstatige toon- is het associatieve beeld van telefonerende vogeltjes. De statige aanduiding ‘hemelse mevrouw’ is ongewoon, en wordt dan ook nog eens gecombineerd met de totaal niet statige naam ‘Ping’. De troostende toon is teder, maar ook wreed: die troost bestaat immers uit het vooruitzicht van lekkere vogeltjes. En dat terwijl die vogeltjes liefdevol ‘sierlijk’ en ‘levendig’ worden genoemd. Een vreemd gedicht dus, bijna ongerijmd.
Haar andere gedichten en prozagedichten zijn dat ook. Zo begint het prozagedicht Neerbraak met de zin: ‘Een duizendpoot zag ik, in de badkamer, waar zo’n dier natuurlijk niet hoort, en gratie Gods, dat is tederheid, zo’n duizendpoot die zijn toch al geringe gewicht verspreidt over al die voetjes [….] Bedenkende vooral dat bijna iedereen duizendpoten repulsief vindt’. Dat noemt Harmsen van Beek dan een ‘prikkel tot ontroering die ’s lezers gemoed ontvankelijk maakt voor opvattingen die afwijken van of zelfs tegenovergesteld zijn aan zijn eigen manier van denken’. Ontroering vanwege een duizendpoot is wel heel ongewoon. Maar kunst (zegt Harmsen van Beek) slaagt erin om ‘de ons toch eigenlijk inderdaad welhaast overal omringende infernale rotzooi in pure liefde te aanvaarden’. Dat geldt in elk geval voor haar eigen werk: ze bekijkt daarin de wereld met een blik die volkomen van de norm afwijkt. Tevens doorbreekt ze alle routines bij de lezer, die daardoor wordt uitgenodigd tot dezelfde liefdevolle aandacht voor het ongewone. Bijvoorbeeld voor de duizend tere voetjes van de duizendpoot, die samen zijn geringe gewicht dragen. Of voor vogeltjes, ‘interessante nerveuze godvruchtige’ wezentjes als je anders naar ze kijkt. En die ‘andere’ manier van kijken vat Harmsen van Beek samen in de volgende prachtige zin: ‘Om iets, wàt dan ook, om een, van je eigen, afwijkende levensvorm te kunnen begrijpen – enfin, begrijpen kan meestal wel, maar bevatten kan niet, en daarin schuilt de moeilijkheid – om iets, wat dan ook te doorgronden, zelfs indien van te voren al duidelijk is, zoals met alles, dat het toch wel nooit lukken zal, moet men om te beginnen zich heel klein maken – heel onaanwezig, zo onverdacht mogelijk en dus zeer liefhebbend.’
Niet alles in deze bundel is even sterk: sommige gedichten zijn niet te volgen, sommige stukken zijn te melig, te gedateerd of te gezocht. Maar de meeste teksten zijn fascinerend en ontroerend, in al hun vreemdheid. Fritzi Harmsen van Beek verdient ook nu nog enthousiaste lezers. Heel goed dus dat De Bezige Bij haar werk weer onder de aandacht brengt!