Advertentie

Toen Handke de Nobelprijs won werd ik extra nieuwsgierig naar zijn werk. Temeer omdat ik merkte dat ik veel minder van hem had gelezen dan ik altijd dacht, en dat ik bij sommige van zijn boeken ook snel was afgehaakt terwijl die boeken mij wel fascineerden. Dus las ik wat stukken over hem in De Groene en dbnl.org. Daar las ik twee mooie uitspraken van Bernlef. Eentje luidt.: "De paradox van Handke's werk: verlangen naar de wereld wordt uitgesproken door het beschrijven van het buitengesloten zijn uit die wereld en soms zelfs haat tegen die wereld". De andere luidt: "Handke beschrijft de ‘binnenwereld’ van mensen die het contact met de wereld niet meer kunnen maken". Met die zinnen in het achterhoofd las ik "Korte brief bij het lange afscheid", een van de highlights van de vroege Handke waar ik nooit doorheen kwam. Nu wel, met genoegen en bewondering zelfs. En verdomd als het niet waar is: wat Bernlef zegt is helemaal raak!

Deze slechts 150 bladzijden dikke roman is ongehoord ongrijpbaar en vreemd. Handke wilde in die periode oude vormen vernietigen om de weg vrij te maken voor verandering. Volgens hem, en volgens veel andere postmoderne schrijvers en denkers in die tijd , is al ons denken en voelen en waarnemen geconditioneerd en geprefabriceerd door onze taal, door onze conventies, en door onze cultuur die alles van handzame maar versimpelende labels voorziet. Dus streefde Handke naar literaire experimenten waarin alle conventies worden doorbroken: literatuur dus zonder navolgbaar verhaal, zonder psychologisch verklaarbare handelingen, zonder kenbare personages. En tegelijk is er in "Korte brief bij het lange afscheid" toch een verhaal, met zelfs een ik-figuur, maar die ik- figuur is van vervreemding doorregen en het verhaal dat hij ons vertelt niet minder. Zodat we een verhaalloos verhaal hebben met een ik- loze ik-figuur. Jaren gelezen las ik dat als pure demonstratie van de bodemloze vervreemding die ons mens- zijn nu eenmaal kenmerkt. Nu, bij herlezing, zag ik wat ik jaren geleden gemist had: de ik-figuur is niet alleen maar buitengesloten uit de wereld, want die buitengeslotenheid gaat ook gepaard met een enorm verlangen om die wereld alsnog te leren ervaren en proeven. En inderdaad, net wat Bernlef zegt: de 'binnenwereld' van de ik- figuur is de binnenwereld van iemand die het contact met de wereld niet meer kan maken. Maar daar wel naar verlangt. En dat ook met alle inzet probeert, maar dan wel op zijn heel eigen voorwaarden. Dus: op zijn eigen unieke en niet door anderen te imiteren wijze, omdat de ik- figuur met alle conventionele algemeenheden en cultuurbepaalde waarheden tracht te breken. Om daarna de wereld binnen en buiten zichzelf weer opnieuw te leren voelen, waarnemen en ervaren.

De ik- figuur, van wie we significant genoeg nooit de naam te weten komen, is een Oostenrijkse toneelschrijver die op de dool is in het voor hem zo onbekende Amerika. Een vreemdeling in een vreemd land, kortom. Op de eerste pagina van deze roman krijgt hij een merkwaardige korte brief, van zijn ex Judith, met de paradoxale tekst "Ik ben in New York. Zoek me liever niet; het zou niet best zijn als je mij vond". Vol afwerende uitnodiging, of uitnodigende ontmoediging, en dus duister. Net als de reactie van de ik- figuur. Die vertelt niet wat de brief in hem teweegbrengt, of hoe zijn relatie met Judith precies in elkaar zat, maar hij vertelt eerst hoe hij "op de wereld lijkt te zijn gekomen voor ontzetting en schrik", wat hij onderbouwt met enkele prachtig beschreven nachtmerries uit zijn jeugd, en vertelt daarna een tijd lang alleen over allerlei banale details uit het moderne Amerikaanse leven die als een soort betekenisloze film over zijn ogen lijken te gaan. En daarna ontwikkelt het verhaal zich tot een road movie richting het onbestemde. De ik- figuur dwaalt met ontledigd gemoed door Amerikaanse steden. Hij reist bovendien eindeloos door de eindeloze leegte van de Amerikaanse landschappen. Hij neemt daarbij een Amerikaanse ex en haar kind mee, of liever: hij laat zich door haar vervoeren omdat hij zelf geen rijbewijs heeft, en gaat van motel naar motel. Bij dat alles wordt hij achtervolgd door Judith, of hij achtervolgt haar: allemaal heel dreigend, als in een nachtmerrie, maar ook zonder enige psychologische of rationele verklaring. Ze doen wat ze doen, omdat ze het doen. Het hoofd van de ik- figuur is één grote, met nachtmerries, gierende plots opkomende angsten en mistige beelden gevulde leegte. En die leegte wordt vaak door de landschappen gespiegeld. Vooral de lange autoritten langs eindeloze lege Amerikaanse wegen, in verlaten Amerikaans landschap, doen denken aan ontdekkingsreizen in voor de ik-figuur onontgonnen land. Waarbij ook zijn eigen ik een onontgonnen land is, dat hij langzaam poogt te vullen met nieuwe beelden en betekenissen: "Pas nu viel het me op dat voor de gewoonste dingen om me heen de woorden ontbraken. Zo leerde ik van lieverlede, in plaats van er alleen naar te kijken en het als 'aha' te ondergaan, gebeurtenissen ook tot het einde aan te zien". Maar dat "tot het einde aanzien" gebeurt nauwelijks, omdat zijn meeste ervaringen fragmenten blijven die geen geheel willen worden, of losse beelden die als foto's over zijn ogen gaan en geen afgeronde film willen worden. Hoezeer hij ook mijmert over films en ook boeken, alsof hij via filmpersonages of hoofdpersonen uit "Bildungsromans" een nieuw ik poogt te reconstrueren. Maar zonder dat dit ooit helemaal lukt. Mede omdat de personages aan wie hij zich spiegelt eveneens een open, niet-afgeronde identiteit hebben, eerder raadsels zijn dan rolmodellen.

Die vervreemding en fragmentatie is zeker onaangenaam, en het verlangen van de ik- figuur naar nieuwe betekenis is ontroerend, hoe impliciet en tussen de regels het ook opgeroepen wordt. Tegelijk zijn die vervreemding en fragmentatie, volgens mij, ook een bewuste keuze voor vreemdheid en tegen de conventie. Een mooi voorbeeld daarvan vind ik de volgende passage: "[A]fkeer van alle theorieën, definities en abstracties […] deed me even stilstaan toen ik naar buiten liep. Ik probeerde te boeren: de Coca- Cola hielp me. Een kortharige student met bolle wangen, bermudashorts aan, met dikke dijen en gymschoenen kwam me buiten tegemoet. Ik keek hem ontzet aan, in de war gebracht door de gedachte dat iemand het in zijn hoofd zou kunnen halen iets algemeens te zeggen van deze enkeling, dat iemand hem zou typeren en vertegenwoordiger van iets anders zou maken". Een dikke jongen met bermudashorts wordt dus uit alle macht NIET herleid tot beeld van, bijvoorbeeld, de hamburger vretende moderne Amerikaanse jeugd, want de ik- figuur haat dat soort abstracties. Dus dat beeld breekt hij bewust af, zonder dat het in dit geval door een nieuw beeld wordt vervangen. Maar liever geen beeld dan een abstract beeld dat de uniciteit versimpelt van wat de ik- figuur waarneemt. Ook al geeft dat behoorlijk wat angst en onrust, omdat de ik- figuur daardoor weinig rustgevende ijkpunten vindt in de wereld binnen en buiten hem.

Ook de volgende, dubbelzinnige passage laat dit volgens mij mooi zien: "[I]k herinner me hoe ik zelf jarenlang, door de vele verbodsbepalingen, belevenissen slechts leerde benoemen, zonder me daarbij echter iets wat werkelijk te beleven viel te mogen voorstellen, laat staan dat ik ze kon verwezenlijken. In het internaatsysteem waarin ik opgegroeid was, was je van de buitenwereld bijna afgesneden en toch gaf het me, juist door het grote aantal verbodsbepalingen en ontzeggingen, veel meer belevenismogelijkheden dan ik in de buitenwereld, in een normaal milieu, zou hebben leren kennen. Zo begon de fantasie op hol te slaan- tot haast in het idiote toe. En toch - en bij deze gedachte voelde ik mij weer ongelukkig- zorgden de verbodsbepalingen, doordat ze een SYSTEEM vormden, er later, toen de belevenissen bereikbaar voor me werden, voor dat ik alles SYSTEMATISCH beleefde, elke belevenis kon rangschikken, bovendien wist welke me nog ontbraken, de een niet in plaats van de andere nam en op die manier tenminste niet meteen gek werd". Ja, dat systeem voorkomt gelukkig waanzin, en toch is er ook nog dat verlangen naar dat zo vreemde buitenstaandersperspectief dat aan dat systeem vooraf ging. Een perspectief dat de fantasie tot in het idiote toe stimuleert. Een perspectief dat ervaringen en waarnemingen toelaat die niet door onze gangbare taal en conventies zijn gelabeld en gecategoriseerd. Ook al gaat dat gepaard met onzekerheid en angst.

Of verlangt de ik- figuur naar een nieuw soort onbevangenheid, naar manieren om zichzelf en de wereld te ervaren zonder hem te interpreteren? Heel deze roman leest de ik- figuur de klassieke Bildungsroman "Groene Heinrich". En daarover zegt een van zijn exen hem dit: "Ook de Groene Heinrich wilde niets verklaren. Hij beleefde alles zo onbevangen mogelijk en keek toe hoe de ene belevenis de andere verklaarde en de volgende op zijn beurt weer die ene. Hij liet de belevenissen voor zich afspelen, zonder zelf tussenbeide te komen en zo dansten ook de mensen met wie hij te maken kreeg slechts aan hem voorbij. Hij spoorde ze niet aan, noch trok hij ze uit de rondedans weg. Hij wilde niets ontcijferen; eens zou het toch wel uit iets anders blijken. Ook jij lijkt mij iemand die de wereld alleen maar aan zich voorbij laat dansen. Je laat ervaringen voor je opvoeren, in plaats van je erin te betrekken". Eerder bleek al dat de ik- figuur zichzelf in Heinrich herkent, onder meer omdat Heinrich niet in staat is om zich zelfs maar het eenvoudigste ding goed voor te stellen, en dat terwijl Heinrich schilder is. "Het schoot mij weer te binnen dat ook ik lange tijd een verwrongen voorstelling van de wereld rondom mij had gehad: als ik iets moest beschrijven, wist ik nooit hoe het eruitzag", zegt de ik-figuur vol herkenning. Die "verwrongen blik" is hij bovendien allesbehalve kwijt. Kunnen we , als we deze beide citaten combineren, concluderen dat hij die "verwrongen blik" zelfs wil? En dat hij inderdaad alles wat binnen en buiten hem gebeurt "niet ontcijferen" wil, "aan zichzelf voorbij laten dansen" wil, in alle openheid wil ervaren zonder enige vervorming door zijn interpreterende geest? Zonder dat hij daar ooit helemaal in slaagt?

Hoe dit ook zij, ik vond "De korte brief bij het lange afscheid" fascinerend. Door de vervreemding van de ik- figuur en zijn ex Judith, een vervreemding vol naar de strot grijpende existentiële angst. Door de niet aflatende zoektocht van de ik- figuur naar nieuwe beelden en betekenissen, nieuwe manieren om zichzelf en de wereld te ervaren en doorvoelen. En vooral door de intensiteit van stijl en vorm waarmee Handke de onderliggende hartstocht van die zoektocht voelbaar maakt op elke pagina. Zodat elke pagina zelf een zoektocht is, en een ontdekkingsreis in het klein voor mij als lezer. Want je kijkt elke pagina weer mee met een ik- figuur die de wereld totaal anders voelt en ervaart dan jijzelf, en met een schrijver die nieuwe ervaringshorizonten opzoekt: dat stimuleert mij als lezer ook, al was het maar dankzij het door Handke gevoede besef dat dergelijke zoektochten mogelijk zijn en er zeer toe doen.

Reacties op: Imponerende zoektocht naar nieuw doorvoeld ervaren van de binnenwereld en de buitenwereld

2
Korte brief by het lange afscheid - Peter Handke
Jouw boekenplank Jouw waardering
Jouw recensie   Schrijf een recensie E-book prijsvergelijker