Lezersrecensie
Poëtische roman vol stemmige rouw en mysterieuze schoonheid
"Kreupelhout", van Esther Kinsky, wordt door de schrijfster zelf een "terreinroman" genoemd. Inderdaad kijk je drie delen lang naar allerlei winterse Italiaanse landschappen, door de melancholieke ogen van iemand die dingen ziet die anderen nooit zouden zien. Haar blik is omfloerst door verdriet over de dood van haar echtgenoot en haar vader: precies die omfloerste blik kleurt de terreinen die ze ziet, en die terreinen en bezienswaardigheden (dorpjes, kerkhoven, landschappen, religieuze mozaïeken, stadse taferelen) kleuren weer haar stemming en daarmee haar blik. Behalve een terreinroman is dit dus ook een stemmingenroman. Bovendien is het een rouw-roman, een roman over verloren herinneringen, een roman over het vanuit meerdere perspectieven beschouwen van landschappen en alle subtiele veranderingen die zich dan voordoen in de landschappen en de beschouwer, een roman over het dwalen in onbestemde leegte en stilte, een roman vol filosofische mijmerring en verwondering, en mogelijk ook een deels autobiografische roman. Soms is het eerder een dichtbundel dan een roman, want de vele korte hoofdstukjes in dit boek lezen als prozagedichten, vol sfeer en poëtische schoonheid en vol prachtzinnen die zich niet in andere woorden laten parafraseren. Tegelijk kun je die prozagedichten ook lezen als tastende essays. 'Kreupelhout" is kortom een fascinerend ongrijpbaar boek, dat het niet moet hebben van plot maar juist wel van sfeer en stijl. En die stijl is geweldig, ook in deze vertaling van Josephine Rijnaarts.
De naamloze ik- figuur van "Kreupelhout" is in rouw: ze heeft haar man verloren, en ook haar vader. Daarover zegt ze, aan het begin van deel I van dit boek: "Ik werd nabestaande. Voordat je toetreedt tot het gilde der nabestaanden komt wellicht het woord 'dood' bij je op, maar nog niet 'afwezigheid'. Afwezigheid is ondenkbaar zolang er nog aanwezigheid is. Voor nabestaanden wordt de wereld bepaald door afwezigheid". Veel later, tegen het eind van deel III, zegt ze: "Jaren na de dood van mijn vader had ik in de Salines van Comacchio, met dagelijks uitzicht op de stille stroom vrachtwagens van en naar Ravenna, opeens het gevoel gekregen dat ik een taak moest vervullen. Iets moest doen wat me was opgedragen. Plaatsen bezoeken, terreinen bewandelen, op de tast mijn weg zoeken langs de sporen die zich als dunne draden tussen mijn herinneringen en beelden, plaatsen en namen spanden". Inderdaad, de ik- figuur bezoekt plaatsen en bewandelt terreinen in Italië: plaatsen en terreinen waar ze eerder was met haar man, of met haar vader. Met bijna ongelofelijke intensiteit bekijkt en beschrijft ze elk detail, en op heel poëtisch- suggestieve wijze evoceert ze dan hoe die details resoneren met haar herinnering, met haar verbeelding (want m.n. Ferrara kent ze niet alleen uit jaar jeugd maar ook uit het prachtig- weemoedige werk van Giorgio Bassani, dat zij en haar echtgenoot zo graag hebben gelezen) en met haar gevoelens van verlies. Met werkelijk prachtige beschrijvingen als resultaat. Want de poëtische en erg gevoelige pen van Kinsky laat ons perspectieven en details zien die je in andere boeken zelden zult zien. Zowel de visuele veelvormigheid van wat de ik- figuur waarneemt als de geschakeerde werking van het geheugen glanzen daardoor volop. Maar tegelijk is het boek doorregen met veel zwaarmoedige droefheid, soms zelfs met regelrechte troosteloosheid. Want tussen de regels door evoceert Kinsky even indringend als suggestief de leegte, de stilte, het gevoel van afwezigheid dat nabestaanden kenmerkt. Zonder ooit sentimenteel te worden, zonder dat gevoel ooit in platitudes te versimpelen, vaak zelfs zonder het te expliciteren, en steeds de ongrijpbaarheid van dat gevoel respecterend. Steeds kiezend voor poëtische beelden die het geheim bewaren, en niet voor verklaringen of eenduidige conclusies.
Vaak gaan zwaarmoedige troosteloosheid en suggestieve schoonheid hand in hand. Alsof de treurnis, net als de lens van haar geliefde fototoestel, een lens is die de blik van de altijd observerende ik- figuur scherpt. Of alsof die treurnis haar net die afstand en die positie van buitenstaander geven die voor scherpe observaties nodig is. Zie de volgende passage: "De tas was licht, maar op weg naar huis voelde mijn hart zo zwaar aan dat ik dacht dat ik het nooit meer thuis zou krijgen. Ik bleef telkens staan en keek ontdaan over mijn zwakheid naar de lucht en de bomen. Zo ontdekte ik in een paar naaldbomen wittige kluwens in het hooggelegen takwerk, heldere weefsels, naar boven toe iets smaller wordende kokervormige sluiers, cocons van wolkenresten, waarin wellicht zeldzame vlinders tot wasdom kwamen, die in de zomer uit de pop zouden kruipen om in god ik weet welke kleuren hun vleugels te spreiden en onmerkbaar trillend op de fornetti neer te strijken, naast de eeuwig brandende lampjes, waarvan het schijnsel oplichtte in het felle zonlicht.". Prachtig, hoe juist de zwaarmoedige blik en het zware hart de weg vrij maken voor dat wonderlijk tere en fantasievolle beeld van cocons van wolkenresten waaruit ooit veelkleurige vlinders geboren zullen worden. En wat een onverwachte lichtheid heeft dit beeld! Maar tegelijk wordt ook de zwaarte van het hart suggestief beschreven, alsook hoe die zwaarte elke blik op het landschap doordesemt: "Dat zware hart werd kenmerkend voor mijn toestand in Olevano. Als ik vanuit het dorp naar boven klom, naar het huis. Als ik van het huis naar het kerkhof liep. Ik stelde me een grijs hart voor, lichtgrijs met een goedkope glans, als lood. Dat loden hart raakte vergroeid met alles wat ik zag en wat zich in mijn binnenste vastzette. Met het beeld van de olijfgaarden in de mist, de schapen op de helling, het steeneikenbos, de soms stilletjes achter het kerkhof grazende paarden. Met het uitzicht over de vlakte en de glinsterende veldjes, op koude ochtenden blauwig berijpt. Met de dagelijkse rookkolommen van brandende olijftakken, de schaduwen van de wolken, het winters vale kreupelhout en de paarse braamranken langs de kant van de weg".
Indrukwekkend, hoeveel stemmigheid en rouw Kinsky weet te suggereren met dit beeld van een met alles wat zij ziet en voelt vergroeid loden hart. En tegelijk is er ook die gevoelvolle aandacht voor alle details in het landschap, en die attente en fantasievol- dichterlijke blik op wolkenresten hoog in het takwerk. "Kreupelhout" zit vol met dat soort passages. En dus vol met stemmige rouw en onverwachte schoonheid. Fascinerend is ook hoe de onbestemde leegtes in dit boek vaak vol zijn met ongrijpbare en juist daardoor verlokkende verschieten, en hoe landschappen zich vaak ontvouwen als een geheimschrift dat zijn geheim blijft verhullen. Bovendien is "Kreupelhout" op alle pagina's anders dan andere boeken. Daar hou ik wel van. Dus over enige tijd ga ik "Langs de rivier" proberen, het tweede in het Nederlands vertaalde boek van Esther Kinsky.