Lezersrecensie
Melancholieke schoonheid van het onbestemde
Kort geleden las ik "Kreupelhout" van Esther Kinsky, de zo ongrijpbaar- melancholieke roman waarin elk hoofdstuk vol is van rouw maar ook vol van ongehoorde schoonheid. En nu las ik "Langs de rivier", een ouder boek dat echter later is vertaald: ook weer vol onbestemde melancholie en ongrijpbaar gemis, maar nog voller van schoonheid dan "Kreupelhout" al was. Elke zin is een prozagedicht dat je eindeloos laat mijmeren. Elk hoofdstuk is een feest van poëzie voor hen die van "slow reading" houden. "Langs de rivier" heeft nauwelijks een plot, en wordt puur gedragen door stemming en stijl. Maar die stijl is naar mijn smaak geweldig, ook in de vertaling van Josephine Rijnaarts.
"Langs de rivier" neemt ons mee met de wandelingen, mijmeringen en stemmingen van een naamloze ik- figuur. Haar blik op de wereld is duidelijk die van een melancholieke buitenstaander: "Na jaren had ik mezelf uit het leven geknipt dat ik in de stand had geleid, zoals je een figuurtje uit een landschaps- of groepsfoto knipt. Onthutst over de schade die ik aan de foto had aangericht en nog niet wetend waar het uitgeknipte stukje terecht moest komen, leidde ik een provisorisch bestaan". De precieze redenen van haar melancholie blijven echter in nevelen gehuld: onbestemde treurnis over het recente overlijden van haar vader speelt een rol, maar daarnaast ook een niet benoemd, onverklaard en alleen tussen de regels voelbaar besef van de algehele helaasheid der dingen. Het lijkt vaak alsof de ik- figuur ook als buitenstaander naar zichzelf kijkt en zichzelf niet verklaren kan. Maar dat lijkt deels een keuze: de ik- figuur lijkt bewust te kiezen voor het onbestemde, het oningevulde, het ongedefinieerde, het marginale. Ook als ze het heeft over zichzelf. En ook lijkt ze te kiezen voor het veranderlijke en onbestendige: het motto van de roman is niet voor niets "the condition of everything is: river", en kenmerkend voor rivieren is de meanderende stroom. Of, zoals de ik- figuur zegt: "De rivier betekende beweging, verwarring en onvoorspelbaarheid in een wereld die naar orde streefde". Stromingen van rivieren zijn voor de ik- figuur zelfs "strofen van een gedicht, codes voor beweging, voor een elders". En die "beweging", met zijn niet ontcijferbare en juist daardoor zo suggestieve en dichterlijke codes, is bij uitstek kenmerkend voor haar binnenwereld, en voor hoe zij de buitenwereld ziet of wil zien.
De ik- figuur mijmert veel over wat ze in haar wandelingen langs rivieren ziet, tegenkomt, en met allerlei eerdere belevenissen associeert. Wandelen doet ze hoofdzakelijk bij de Lea, een minder bekende Engelse rivier in een nogal rafelige en vaak zelfs vervallen omgeving die weinig conventionele natuurschoonheid biedt. Maar juist dat rafelige, marginale en vaak veronachtzaamde in die omgeving trekt haar onverdeelde aandacht. Zo ook de gemarginaliseerde personen die zij aantreft: een waanzinnige die een vreemde dans uitvoert bij een groep raven, en bij wie de raven zelfs op zijn armen gaan zitten, groeit bijvoorbeeld in haar ogen uit tot een soort mythische en verbannen koning. En zijn dans is van een wonderbaarlijke, vogelachtige lichtheid: "Zo, met al die vogels om zich heen, begon hij lichte op en neer gaande en cirkelende bewegingen te maken met zijn uitgestrekte armen, alsof die een herinnering aan vleugels bewaarden". Maar ze kijkt vooral naar landschappen, die ze vaak ook fotografeert. Wat tot vrij raadselachtig- vage foto's leidt, die soms ook zijn opgenomen in het boek, en die door de beschrijvingen van wat op die foto's te zien valt nog raadselachtiger worden. Zoals ook Sebald dat doet, in prachtboeken als "Austerlitz" of "De ringen van Saturnus".
Bovendien zegt de ik- figuur over fotograferen het volgende: "En telkens voelde ik dezelfde verbazing als ik zag wat zich tussen mijn oog, de lens, de lichtinval en de werking van de chemicaliën had voltrokken. Zoals ik ook telkens dacht [...] dat de foto's meer te maken hadden met de persoon die door de lens had gekeken dan met wat er te zien was. Onder de losgetrokken ontwikkelingsfolie kwam op de zwart- wit foto met zijn talloze schakeringen grijs een herinnering tevoorschijn waarvan ik niet wist dat ik die had. Het waren foto's van iets wat achter de dingen lag waarop de lens zich had gericht en die de ontspanner ongemerkt een seconde opzij moest hebben geschoven". Dat is, naar mijn smaak, een opvallend fraaie en dichterlijke passage over fotografie. Maar vooral ook over hoe de ik- figuur fotografisch naar landschappen en rivieren kijkt, hoe haar stemmingen en herinneringen daarbij kleuren wat zij ziet, en hoe wat zij ziet omgekeerd die stemmingen weer kleuren en diverse vergeten of verdrongen herinneringen opnieuw oproept. En hoe dus elk beeld dat zij zich van het landschap vormt ook iets lijkt te zeggen en suggereren over wie zij is. Maar dat "iets" blijft even raadselachtig en ongedefinieerd als het landschap. Want alleen in raadselachtige en onbestemde schemerzones kan en wil de ik figuur wonen, zo lijkt het. Of in mistige zones ("mistige ochtenden die de dagelijkse gang van zaken ter discussie stelden"), waarin al het bestaande vervaagt, waarin niets is te zien behalve "een mistkamer, waarin, onzichtbaar voor degenen die op de oever stonden, misschien een experiment werd voorbereid - de onthulling van een nieuwe wereld". En uiteraard wordt ook die nieuwe wereld weer in raadselachtige nevelen gehuld....
Niet alle lezers zullen houden van al die mistige onbestemdheid. Maar ik hou juist wel van dit soort proza, waarin het raadselachtige van onze binnenwereld en onze buitenwereld zo prima kan gedijen. Ik hou wel van die onverdeelde aandacht waarmee Kinsky al het marginale bekijkt, en herschept in raadselachtig suggestieve poëzie. En ik houd ook erg van de manier waarop ze in die poëtische passages ook nog eens haar melancholische droefheid voelbaar maakt, zonder die stemmingen te verklaren en daarmee al te eenduidig te maken. Kortom, ik hoop dat er nog veel meer vertalingen van Esther Kinsky zullen volgen.