Lezersrecensie
Een formidabele roman over een van chaos en oorlog doordrenkte wereld
Geen gelul, mensen: "Morbus Kitahara" van Christoph Ransmayr is een ronduit formidabele roman, en net zo verpletterend als Ransmayrs meesterwerk "De laatste wereld". Of misschien zelfs nog wel verpletterender. Elke alinea is verbluffend van stijl, elke beschrijving schittert als een uniek en volstrekt origineel juweel, elke passage jaagt je voort naar de volgende terwijl hij tegelijk tot herlezen noodt. Elke pagina is bovendien verbijsterend door zijn enorme verbeeldingskracht en creativiteit, en door de wijze waarop nauwelijks invoelbare ervaringen en alternatieve werelden toch invoelbaar worden gemaakt. Ik ben kortom flabbergasted en euforisch, hoe verontrustend het boek ook zijn moge.
"Morbus Kitahara" zuigt ons mee in de bizarre wereld van het fictieve gehucht Moor, in het Oostenrijk van vlak na de Tweede Wereldoorlog. Maar die is anders verlopen en geëindigd dan in de ons bekende werkelijkheid: Oostenrijk en Duitsland zijn niet door de geallieerden bevrijd, maar worden bezet gehouden door de buitenlandse - Amerikaanse- overwinnaars. De hele gemeenschap werkt in een steengroeve, en ook is Moor verklaard tot "boetegebied" waarin de verschrikkingen van de oorlog en van de kampen op onnavolgbaar barokke wijze worden herdacht en nagespeeld. Van een "Wirtschaftswunder" is geen sprake, want Moor is een woestenij vol van adembenemend beschreven verval. Een woestenij bovendien waarin de chaos van de voorbije oorlog alsmaar voort blijft woeden, in de vorm van hallucinante spookbeelden en herinneringen.
Bovendien, de wereldoorlog zelf blijft ook maar voortwoeden: Japan wordt verslagen, net als in de ons bekende werkelijkheid en op vergelijkbare vernietigende wijze, maar in "Morbus Kitahara" gebeurt dat pas tientallen jaren na de Europese oorlog. Wat de personages alleen ervaren in de vorm van spectaculaire maar onwerkelijke televisiebeelden, vol van bevreemdende lichteffecten en paddenstoelwolken. En Moor zelf wordt bestuurd door de gehate Ambras, bijgenaamd "de hondenkoning": een kampoverlevende vol troebele haat en onverwerkte herinneringen, leider van een meute verwilderde en verscheurende honden. Een even mythische, groteske als meelijwekkende figuur.
"Morbus Kitahara" heeft dus wel wat weg van een "as if"- roman. Van een roman dus die ons laat zien hoe de wereld er uit zou kunnen zien als de geschiedenis op een paar punten net anders zou zijn verlopen. Maar die andere en alternatieve wereld wordt in "Morbus Kitahara" niet uitgelegd of toegelicht of op logische wijze verhelderd. hHj wordt ons als verontrustende chaos getoond, en in die chaos word je meegezogen. Voor de lezer wordt die wereld net zo vanzelfsprekend als voor de inwoners van Moor, hoe bizar die wereld ook is.
Dat is een behoorlijk enerverende ervaring. En nog wat enerverender is hoe die zo vreemde wereld tegelijk allerlei uitvergrotingen of vervormde beelden bevat van fenomenen die we wel menen te kennen: de verschrikkingen van de kampen, de alomtegenwoordigheid van oorlog en geweld, de mechanismen van militaire repressie en dictatuur. Maar juist door de vervorming laat Ransmayr de verontrustende vreemdheid van die zogenaamd "bekende" fenomenen scherp zien. Moor doet bijvoorbeeld denken aan Mauthausen, maar is tegelijk op verontrustende wijze anders: alsof Mauthausen en Auschwitz geen eenmalige fenomenen zijn, maar spookbeelden die zich in meerdere gedaanten kunnen herhalen. Ambras is op verontrustende wijze slachtoffer en dader tegelijk, en is als leider van een hondenleger bijna de personificatie van het irrationele karakter van elke macht. Juist door het bizarre karakter van dat hondenleger. De wijze waarop kamptaferelen worden nagespeeld in Moor benadrukt naar mijn gevoel vlijmscherp het onbevattelijke van die kamptaferelen: alsof die niet realistisch zijn uit te beelden, alsof elke poging om die taferelen te verbeelden wel moeten ontaarden in bizar toneel. En de woestenij van Moor, rondom de steengroeve die zo aan Mauthausen doet denken, belichaamt naar mijn gevoel treffend de ordeloosheid die onder elke beschaving schuilgaat, of de chaos die zichtbaar wordt als je een paar laagjes van onze beschaving afpelt.
Ransmayr ontvouwt dus met veel verbeeldingskracht een heel vreemde en groteske wereld, die bepaalde verontrustende vreemdheden in onze bekende wereld uitvergroot en scherp belicht. Daarbij neemt hij ons ook mee in bizarre achtbanen van emoties. Bijvoorbeeld de woede, de haat maar ook het verdriet van Ambras. En zijn verlangen naar andere werelden, bijvoorbeeld door zijn fascinatie voor gesteenten en hun "glanzende diepte van kristallijnen structuren". Want "in deze nietige kristaltuinen, waarvan de bloesems en sluiers in het tegenlicht zilvergroen glansden, ontwaarde hij een geheimzinnig en tijdloos beeld van de wereld, dat hem de verschrikkingen van zijn eigen geschiedenis en zelfs zijn haat een ogenblik liet vergeten". Die zinnen over zijn verlangen zijn naar mijn smaak prachtig. Maar de uitgebreide beschrijvingen van zijn kwellingen, en van zijn bijna hallucinatoire herbelevingen van het kamp, zijn ronduit adembenemend.
Niet minder imponerend zijn de beschrijvingen van het gekwelde gemoed van zijn lijfwacht Bering. Prachtig wordt diens oogziekte beschreven, de blinde vlek in zijn zichtveld die eigenlijk een gat in zijn wereld is. Schitterend wordt beschreven hoe Bering als krijsend kind opgroeit tussen kippen, zonder vader, en hoe hij een veel te scherp gehoor ontwikkelt om te kunnen aarden in de wereld van de mensen. "Maar al lang voor hij zijn eerste stap in de wereld had gezet, leek de krijser te hebben gevoeld dat de geluiden van de vogels voor iemand met een scherp gehoor een veel betere toevlucht boden dan het rauwe gebrul vaneen mens: tussen de diepe en de hoge registers van het dierlijke gezang lag al die geborgenheid en rust waarnaar je in een door scheuren getekend huis kon verlangen".
Geen wonder dat hij als volwassene vaak droomt een vogel te kunnen zijn die kan vliegen. Geen wonder dat hij uit schroot een kunstwerk bouwt, dat tegelijk een wagen is met de kenmerken van een vogel, en rijdend in die wagen heeft hij soms het gevoel dat hij vliegt. Maar dat gevoel is opgebouwd uit illusies, zoals de wagen is opgebouwd uit schroot. Geen wonder dus dat niet hij het is, maar juist Ambras die op enig moment vliegt. Of liever: in de leegte valt, en door die val voor even van zijn kwellingen en drukkende lasten wordt bevrijd: "De gloeiende schouders, de armen, zo licht dat hij ze eindelijk weer boven zijn hoofd kan tillen, hoog boven zijn hoofd. En terwijl deze strop, dit touw, dit snoer cirkels door de lucht slaat, lussen, spiralen, verliest alles wat hem bezwaard en gekweld heeft aan gewicht. En dan, bevrijd van alle blokken en stenen, wordt de hele wereld licht en lichter, begint op te stijgen, steeds hoger, trekt hem zachtjes het touw uit de handen en drijft met de rookwolken weg". Die bevrijdende val van Ambras ontroerde mij. Maar het onvermogen van Bering om te vliegen ontroerde mij ook. Net als de impliciete conclusie dat het kennelijk onmogelijk is om deze groteske wereld te ontstijgen. Maar misschien niet om hem los te laten. En ook niet om te dromen van andere, verlossende werelden.
Ransmayr toont ons in "Morbus Kitahara" dus een bizarre wereld die een uitvergroting of vervorming is van onze eigen bizarre wereld. En door zijn magnifieke stijl laat hij ons nog in die wereld geloven ook. Bovendien dompelt hij ons onder in de vreemde lotgevallen van enkele groteske personages, die door hun verontrustende vreemdheid ver van ons af lijken te staan maar die ons toch ontroeren. "Morbus Kithara" verbeeldt naar mijn smaak bovendien op fenomenale wijze de chaotische onherbergzaamheid die ook in onze eigen wereld volop te vinden is. En tegelijk verbeeldt "Mobus Kithara" ook heel fraai het verlangen om aan die onherbergzaamheid te ontsnappen. Ik ben kortom helemaal blij en gelukkig met deze zo verontrustend- prachtige roman.