Lezersrecensie
David Foster Wallace lezen was weer een feest
Ook dit boek van David Foster Wallace was voor mij weer een feest. Een verhalenbundel die m.i. nog beter is dan het ook al geweldige "Brief interviews with hideous men", en die op zijn beste momenten net zo adembenemend is als zijn magnum opus "Infinite Jest". "Oblivion" is minder humoristisch dan deze twee boeken (hoewel ik ook nu weer een paar keer de slappe lach had), en meer gevuld met een soort Kafkaëske wanhoop en een onnavolgbare absurdistische horror. De zinnen zijn lang en vol afdwalingen, en de verhalen zijn enorm ingewikkeld en ingenieus geconstrueerd: ik moest ze vaak een paar keer lezen voordat ik er ook maar enige greep op kreeg. Maar voor die moeite werd ik rijkelijk beloond: het was elke keer wel moeilijk om het patroon te vinden en te doorgronden hoe het verhaal werkte, maar als dat dan lukte dacht ik wel steeds 'YES!! GEWELDIG!!'
Het eerste verhaal bijvoorbeeld ('Mister Squishy'), is aanvankelijk nauwelijks te volgen: subintriges van subintriges van subintriges doorkruisen diverse intriges, en er staan zinnen in van twee bladzijden lang waarin allerlei vervreemdend marketingjargon wordt vermengd met ingewikkelde overpeinzingen van een gekwelde geest. Je vraagt je dan wel af waarom het zo moeilijk moet. Maar na enig peinzen en herlezen valt het kwartje: die nodeloos moeilijk lijkende stijl blijkt uiterst functioneel. Met dit zo vervreemdende marketingjargon roept Wallace uitermate effectief en indringend de vervreemding op waaronder zijn personages gebukt gaan. Het marketingjargon roep a.h.w. een wereld op waarin de commercie alles van zijn inhoud en waarde heeft beroofd, en waarin alleen leegte overblijft zonder oriëntatiepunt. En door dit jargon te vermengen met de gedachtestroom van die personages laat hij prachtig zien hoe die richtingloze vervreemding doordringt tot in de meest intieme uithoeken van hun binnenwereld.
Bovendien schetst Wallace op schitterende wijze de chaotische ordeloosheid van deze wereld: alle zinnen kronkelen eindeloos en ordeloos alle kanten op, alle intriges worden door subintriges doorkruist. Er is in dit verhaal alleen zinloze ruis, en geen orde of houvast. Bovendien eindigt het verhaal net voor de climax: op onnavolgbare wijze bouwt Wallace de dreiging op, maar net als je een ENORME ontknoping verwacht houdt hij ineens op. Een anti-climax waardoor het verhaal nog langer nazeurt in je hoofd, en die bovendien ook weer heel functioneel is: in de wereld zoals Wallace die schetst BESTAAT niet zoiets als een ontknoping of een zinvol einde dat het verhaal rafelloos afrondt.
Dit soort proza is behoorlijk cerebraal, misschien zelfs wel intellectualistisch, omdat je flink analyseren moet voordat je er wat mee kunt. En tegelijk appelleert het ook heftig aan allerlei emoties: beklemming, angst, maar vooral ook ontroering en compassie voor zijn personages. Wallace doet dus bij zijn lezers een appel op hun verstand (hun analytisch vermogen) EN het gevoel (hun empathisch vermogen). In een ander verhaal bijvoorbeeld gaat het steeds alleen indirect over een traumatische jeugdbelevenis: over het trauma zelf lezen we heel weinig, we lezen allen hoe een van de personages tijdens het hele gebeuren zich verliest in ongelofelijk ingewikkelde dagdromen. Die dagdromen worden wel steeds dreigender en dreigender, en tussen de dagdromen door merkt de ik-figuur ook wel glimpen op van wat er werkelijk om hem heen gebeurt, maar toch dringt die werkelijkheid niet tot hem door. Of liever, alleen indirect, want die dagdromen worden niet voor niets steeds dreigender. We zien hier dus een soort Freudiaans verdringingsmechanisme aan het werk: de traumatische werkelijkheid zelf is te heftig om direct bekeken te kunnen worden, en is alleen indirect toegankelijk via fantasie en droom.
Daarom kiest Wallace dus voor deze ingewikkelde verhaalstructuur: hij laat ons niet een trauma zien, hij laat ons zien hoe iemand dit verdrongen trauma alleen indirect kan ervaren. En daarmee doet Wallace weer een beroep op ons analytisch vermogen (je moet wel even goed nadenken voordat je deze verhaalstructuur snapt), en ook op onze empathie (je voelt ook mee met de verdrongen emotie van het personage).
En zo is er veel ingewikkelds en moois te vinden in deze bundel. Het verhaal 'Oblivion' bijvoorbeeld, waarin een ogenschijnlijk triviale kwestie - echtgenote beschuldigt manlief van gesnurk, manlief denkt dat zij zich dat gesnurk verbeeldt- uitloopt op een peilloos ingewikkelde meditatie over onze eigen onkenbaarheid en die van de ander. Want wat is werkelijkheid, wat is droom, en wie zijn wij wanneer wij dromen? Of het schitterende verhaal 'Good old neon', vol verschuivende perspectieven en verrassingen, dat gaat over o.a. zelfmoord, depressie, het pijnlijke gevoel een totale leegte te verbergen achter de zinledige en leugenachtige façade van succes, en ook over medegevoel dat we zouden moeten hebben voor verborgen angsten van onze medemens. Een verhaal ook waar David Foster Wallace ons misschien ook wel een heel indirecte maar indringende glimp heeft willen bieden op zijn eigen innerlijke pijn. En niet te vergeten 'The suffering channel': een werkelijk geweldige satire over mediageilheid, met daarin een hoofdrol voor o.a. een kabelzender die de hele dag leed uitzendt, en een angstige artiest die drollen uitpoept in de vorm van kunstwerken. Maar onder die satire gaapt weer de onoplosbare spanning die de personages voelen tussen 'the subjective centrality of our own lives versus our awareness of its objective insignificance'. En die 'insignificance' is zelfs nog heviger dan de personages weten: het verhaal eindigt net voor 9/11. De personages voelen al wel dat hun wereld behoorlijk zinloos is, maar nog niet dat die wereld binnenkort instort. Dat maakt hun lotgevallen extra vergeefs, en extra ontroerend.
Het zal duidelijk zijn: ik heb mij weer uitbundig vermaakt met David Foster Wallace. En ooit, misschien dit jaar al, zal ik alles van hem hebben gelezen.