Lezersrecensie
Barokke associatieve woordenstroom, vol van delirium, walgende woede, en compassie
De vroege, derde roman van Lobo Antunes, prachtig vertaald als "Reis naar het einde" maar met een titel die letterlijk "Kennis van de hel" betekent, begint aldus: "De zee van de Algarve is van karton, net als in toneeldecors, en de Engelse toeristen hebben dat niet in de gaten: ze spreiden braaf hun handdoek uit op het zaagsel van het zand, zetten een donkere bril op tegen de papieren zon, wandelen verrukt over het podium van Albufeira, waar als carnavalshippies verklede ambtenaren hun hurkend op de grond Marokkaanse halskettingen aansmeren die heimelijk zijn vervaardigd door de plaatselijke VVV, en strijken aan het eind van de middag neer op nepterrasjes, waar ze verzonnen drankjes nuttigen uit niet-bestaande glazen, die de kleffe smaak achterlaten van de whisky die figuranten van televisieseries aangeboden krijgen". Dit is nog niet de Lobo Antunes die we in zijn laatste romans zien: daar raast zo'n zin wel 10 tot 20 pagina's door, als een soort verbijsterde innerlijke monoloog die weigert tot rust te komen in een punt en die alleen door allerlei geciteerde uitroepen van anderen doorbroken wordt. In deze vroege roman, die kennelijk het derde deel is van een trilogie waarvan ook zijn debuutroman "Judaskus" onderdeel is, zijn de zinnen korter. Maar de woekering van over elkaar duikelende grillige associaties en onnavolgbaar barokke beelden is minstens zo heftig, en naar mijn smaak zelfs heftiger en ongrijpbaarder. Dit boek is meer groteske beelden gevuld dan schilderijen van Jeroen Bosch, doordesemd van even hilarische als pikzwarte carnavaleske humor, en doordrenkt van unheimliche uitvergrotingen en vervormingen.
De lezer wordt meer en meer ondergedompeld in een delirerende innerlijke monoloog, die steeds waanzinniger en woedender wordt. Of, zoals vertaler Harrie Lemmens in zijn mooie nawoord suggereert, een "bouffée delirante": een aandoening waarbij de patiënt uitbarst in zeer hevige verbale agressie, die gepaard gaat met extreme fantasiebeelden en waanvoorstellingen. Uit de boven geciteerde openingszin wordt dat misschien niet meteen duidelijk. Maar later des te meer. Bijvoorbeeld in de volgende passage over waanzinnigen in een gesticht: "Nou ja, mijn opwinding raak ik sowieso kwijt als ze de dosis verdubbelen: met die medicijnen hier kun je een heel leger castreren, ze veranderen de mensen in treurige ossen die in de wei hun tamme verdriet uitloeien. Misschien hadden ze wel zin om te janken, te huilen, te blaffen, de verplegers te wurgen, alle ruiten in te gooien. Misschien hadden ze wel zin om dood te gaan, maar de geneesmiddelen van het gesticht kappen zelfs de eenvoudige, woedende, natuurlijke, bijna prettige zin om te sterven, ze stoppen het stromen van het bloed, schorten de gebaren op, verschrompelen de glimlachen, herleiden de voetstappen tot het aarzelende waggelen van een peuter: gekkenhuizen zijn niet meer dan tuinen met menselijke koolstronken, besproeid met de mest van spuiten. Hij liet zijn billen van de stoel glijden tot hij op zijn knieën op het linoleum zat: 'Ik wil geen os worden, ik wil geen groente worden, ik wil niet buiten in de zon gaan liggen als een lijk vaneen treinongeluk. Ik wil geen bezoek op zondag, geen uitstapjes naar de dierentuin, geen kerstprogramma op de televisie. Ik wil niet dammen met de doden'".
Het verhaal draait om de innerlijke monoloog van een psychiater, die - net als Lobo Antunes zelf- zeer gekweld wordt door het brute oorlogsgeweld in Angola en zijn eigen rol daarin, en misschien nog wel meer - eveneens net als Lobo Antunes zelf- door de wantoestanden die hij na repatriëring aantrof in de Portugese psychiatrie. Het hele boek door is hij in zijn auto op weg naar zijn ouderlijk huis, en herbeleeft hij diverse over elkaar heen buitelende scenes uit zijn verleden. Het lijkt, als we zijn herbelevingen proberen te volgen, alsof in zijn ervaring de Angolese oorlogswaanzin is herleefd in de manier waarop de patiënten worden platgespoten en voor de rest worden genegeerd. En ook in de deliriums van die patiënten uiteraard, te meer omdat daar de nodige mensen tussen zitten met oorlogstrauma's. Alle intens herbeleefde woede, onmacht en ontzetting over dat oorlogsgeweld, en over de misdeelde en ook door de hoofdpersoon slecht behandelde psychiatrische patiënten, spat in deze monoloog van de pagina's. Eigenlijk al in de openingszin, waarin woest gefoeterd wordt op de zee van karton, op de papieren zon, en op drankjes die uit niet- bestaande glazen worden genuttigd. Op de schijn, dus. De schijn, de volkomen onzekere wereld waarin alles steeds anders is dan normaal en ook steeds verandert, de van onwerkelijkheid doordesemde schijnwereld kortom waarin waanzinnigen moeten leven. Maar misschien ook "schijn" in de zin van: de zogenaamd normale wereld van toeristen is zo onwerkelijk als een toneeldecor, de enige werkelijke wereld is die van de waanzin. Oftewel: die toeristen op het strand zijn pas echt onwerkelijk, want ze kennen de waanzin niet, terwijl er slechts een dunne lijn is tussen hun toeristenvermaak en de gillende doodsangst van iemand die door totale redeloosheid en onwerkelijkheid is getroffen.
De hoofdfiguur dompelt zich in elk geval steeds meer in de waanzin onder, identificeert zich met de waanzin en de waanzinnigen, spreekt meer en meer de taal van de waanzin. Bijvoorbeeld door in steeds langere zinnen de onnavolgbaar barokke beelden meer en meer over elkaar te laten buitelen, op een voor mij vaak onnavolgbare maar wel enorm meeslepende manier. Maar ook door voortdurend de ik- vorm en de hij- vorm af te wisselen. De ik- vorm kan dan nog een zekere mate van reflectie en nabijheid inhouden, terwijl de hij- vorm meteen afstand schept en volgens mij zelfs vervreemding benadrukt: de verbijstering van de ik over alles wat hij aan waanzin in zichzelf waarneemt en dus niet kan rijmen met zijn herkenbare ik. Vaak is wat hij herbeleeft ook puur hallucinatoir: hij beschrijft bijvoorbeeld hoe hij op bijna carnavaleske wijze gecastreerd wordt ("En met één houw, ondersteund door een wraaklustig enthousiast applaus, ontdeed ze me van honderd nutteloze gram vlees".), maar ook hoe hij voor lijk ligt, of hoe hijzelf als psychiatrisch patiënt wordt opgesloten, weggehoond en platgespoten. Bovendien worden in zijn koortsachtige monoloog soms meerdere tijdslagen hallucinatoir vermengd: oorlogsverleden smelt samen met een voorval met patiënten, de ik- figuur (die snel daarna een hij- figuur is) versmelt met een patiënt, enzovoort.
De hoofdpersoon delireert kortom met de delirerenden, is waanzinnig met de waanzinnigen. Precies dat weet Lobo Antunes met zijn stijl als weinig anderen voelbaar te maken. Daardoor roept hij ook heel pregnant de waanzin en barokke grilligheid op die zijns inziens zo welig tiert in de wereld, ook die van ons. Hij maakt, juist door de uitzinnigheid van zijn stijl, voelbaar wat voor werelden van gillende waanzin er schuil kunnen gaan vlak onder het oppervlak van ons ogenschijnlijk zo ordelijke bestaantje. Zijn stijl inviteert ons kortom om ons eveneens onder te dompelen in waanzin en delirium, net als de hoofdpersoon. Daarmee voedt hij volgens mij onze compassie voor redeloosheid, en wellicht ook de zelfcompassie voor de redeloze spookfiguren in onszelf.