Lezersrecensie

Afkeer en fascinatie voor Het Kwaad


Nico van der Sijde Nico van der Sijde
14 mrt 2016

Waarom is de Japanse schrijver Shusaku Endo toch zo weinig bekend? Hij is toch zeker niet minder dan andere geniale Japanners, zoals Kawabata, Mishima, Tanizaki, Oë en Murakami. Eerder las ik met veel bewondering Stilte, en Het Schandaal is minstens even sterk. Ook hier laat Endo weer op schitterende wijze zien hoe een mens kan worstelen met de minder aangename kanten in zijn wezen: in dit boek perversie, angst voor verval en dood, zelfdestructie, geweld. Vooral ook de fascinatie voor Het Kwaad (inclusief zelfdestructie en wreedheid) die in ons voortwoekert, hoezeer ook in weerwil van onszelf. Die minder aangename kanten vormen een probleem dat Endo niet oplost, maar juist op prachtige wijze ALS onoplosbaar probleem voelbaar maakt. Hij beschrijft het duister in ons gemoed, en ook de combinatie van fascinatie en weerzin voor dit duister. Een duister waartoe we ons toch moeten verhouden, al willen we het niet, want het is een niet weg te denken onderdeel van wie wij zijn. Aldus Endo.

In dit boek raakt een oudere, katholieke auteur (Suguro, een onmiskenbaar alter ego van Endo zelf) in steeds grotere verwarring door Het Kwaad binnen en buiten hem. Naar de buitenwereld toe houdt hij een soort masker op, en samen met zijn vrouw onderhoudt hij een weinig spectaculair maar wel rimpelloos huwelijk. Endo beschrijft dat streven naar knusse harmonie heel ontroerend. Ook de manier waarop Suguro zijn vrouw spaart (hij verzwijgt zijn angsten, hij vertelt niet over de steeds verontrustender berichten van zijn dkoter) is ontroerend. Heel mooi beschreven is ook hoe het oudere echtpaar een soort vluchtig geluk beleeft bij een reist naar een idyllische plek waarin nog een vrij onbevangen katholiek geloof heerst. Ook dat verlangen naar geluk en (mogelijk naïeve) rust en harmonie is heel wezenlijk voor wie wij zijn (als ik Endo goed lees). Niet voor niets heeft Suguro meerdere suggestief beschreven dromen van verlossing en licht. Maar die worden meer en meer doordrenkt met nachtmerrieachtige taferelen van wreedheid, perversie en zelfdestructie. Ergens in het boek maakt Suguro kennis met een oude dame, vrijwilligster in een ziekenhuis die veel goed werk doet voor (bijna) terminale kinderen, maar die tegelijk ook seksueel genot ontleent aan enorme oorlogsgruwelen in de Chinees-Japanse oorlog waar haar overleden man (ogenschijnlijk een brave burger) ooit bij betrokken was. Juist die dubbelheid verontrust Suguro: een wezenlijk goede vrouw in wie toch perverse fascinatie voor wreedheid huist, een vrouw die uit twee radicaal tegengestelde persoonlijkheden lijkt te bestaan. Die gespletenheid doordrenkt ook Suguro zelf, zo laat Endo op adembenemende wijze zien.

Zo wordt indrukwekkend beschreven hoe Suguro een tape bekijkt waarin een masochiste allerlei suïcidale en perverse sessies ondergaat. Endo laat heel mooi zien hoe Suguro aan de ene kant gefascineerd is door dit soort taferelen en dit soort taferelen ook wil zien en begrijpen, terwijl hij aan de andere kant zich wezenloos schrikt van zijn eigen fascinatie. Twee zielen huizen in Suguro’s borst. Dat combineert Endo mooi met een dubbelgangermotief: een perverse dubbelganger van Suguro (onduidelijk blijft of het een fantasiebeeld is of niet) doet allerlei vreselijks wat Suguro zelf niet durft. Maar uiteindelijk ziet Suguro, door een soort peep hole, deze dubbelganger wrede perversies begaan op een onschuldig en puur meiske (hoewel…). Heel meeslepend en origineel wordt dan beschreven hoe Sugoro, al kijkend, voor even met zijn dubbelganger en diens fascinatie versmelt, en hoe ook hij, woedend door zijn eigen lichamelijk verval en de totale zinloosheid van dat verval, de wil voelt om jeugd en onschuld te besmeuren en vernietigen. Hij DOET het niet, maar komt wel gevaarlijk dicht bij die destructieve daad. Deze passage gaf ook mij als lezer dubbele gevoelens: je schrikt van de afgronden die Suguro's gemoed, en tegelijk begrijp je zijn woede en zijn wanhoop over zijn eigen nakende dood. De destructieve gevoelens tegen de nog zo prille jeugd zijn dus even weerzinwekkend als deels ook begrijpelijk, ja, zelfs ontroerend.

Ik vind het vrij briljant dat Endo dat soort tegenstrijdige gevoelens allemaal tegelijk weet op te roepen. Zoals Endo ook m.i. het dubbelgangermotief heel mooi gebruikt, als personificatie van 'iets' dat vreemd is aan Suguro en TOCH tot het wezen van Suguro behoort. Endo beschrijft dus niet simpelweg een slechterik: hij beschrijft mensen die in het dagelijks leven brave burgermannen/vrouwen zijn die soms zelfs heel goede werken verrichten, en die TEGELIJK (soms tot hun eigen verbijstering) werelden van wreed geweld en perversie in zich dragen. Niet de zonde waarvoor verlossing bestaat, maar Het Kwaad dat zonder verlossing voortwoekert, en dat kwaad leeft (aldus Endo) ook in goede zielen. Dat vind ik een onrustbarende, maar helaas ook een vrij aannemelijke gedachte. Een gedachte die we dan, zeer tegen onze zin, toch maar onder ogen moeten zien. Endo doet dat hier op meeslepende wijze, vooral in de scènes waarin Suguro met fascinatie en afkeer kijkt naar Het Kwaad binnen en buiten hem, en in de scènes waarin Suguro angst voor Het Kwaad en de eigen dood combineert met dromen van harmonie en verlossing. Endo analyseert de minder aangename kanten van het mens-zijn ook hier weer tot op het bot en verder. Ik hou daar wel van, en ga dus nog meer van deze man lezen.

Reacties

Meer recensies van Nico van der Sijde

Boeken van dezelfde auteur