Lezersrecensie
Wonderlijke roman van een helaas vergeten Japanner
Een imponerende en heel wonderlijke roman, van een wel heel intrigerende auteur. Shusaku Endo was ooit dicht bij de Nobelprijs, maar tegenwoordig helaas vrijwel vergeten. Hij was katholiek, wat voor een Japanner vrij verrassend is, en beschrijft in zijn romans een van twijfel en wanhoop doordrenkt Christendom. En dat doet hij op enorm fascinerende wijze, ook fascinerend voor een verstokte agnosticus als ik.
Het verhaal speelt in Japan rond 1640. De Portugese priester Rodrigo is naar Japan afgereisd om de met dood en marteling vervolgde Christenen aldaar in het verborgene te ondersteunen. Het fascinerende aan het verhaal is dan hoe Rodrigo, geconfronteerd met de ellende van de Japanse gelovigen, ook zelf meer en meer vertwijfelt aan zijn geloof. Dit geloof is in het relatief welvarende westen nog een rustgevende metgezel, een bron van troost en rust, maar in Japan (bij herhaling een ‘moeras van modder’ genoemd) werkt dat niet langer zo. Endo beschrijft op bijna pijnlijk suggestieve wijze de folteringen en peilloze pijn waar Rodrigo getuige van is. Maar nog pijnlijker beschrijft hij de twijfel die Rodrigo doordesemt: twijfel omdat het leed zo zinloos is, twijfel omdat God niet ingrijpt, twijfel vooral omdat God bij al dat zinloze leed ZWIJGT. Als enige boodschap klinkt een oorverdovende stilte. Of een zinloze ruis. ‘Net zoals zoëven ging de krekel met zijn droog geluidje verder met tsjirpen. Wind was er niet. Net als daarstraks zoemde een vlieg, met een dof geluid van vleugels, rond zijn gezicht. Niets was veranderd in de wereld daarbuiten. Hoewel er toch een mens was gestorven, was er niets veranderd’.
Endo is heel goed in dat soort sfeerbeelden: de zee die onaangedaan doorruist, het duister dat onaangedaan duistert, vliegen die onaangedaan rondzoemen. Allemaal beelden van een natuur die gewoon zijn gang blijft gaan, en onverschillig staat tegenover alle leed. Een natuur die volgens Rodrigo soms angstwekkend leeg en stil is, en soms lachwekkend absurd, maar in elk geval van elke zin verstoken. In zijn vertwijfeling zoekt Rodrigo steun bij het beeld van Christus, immers ook een lijdende mens. Maar geleidelijk aan wordt het vriendelijk en troostend gelaat dat hij van Christus kent door een soort Japans tegenbeeld verdrongen: een uitgeholde beeltenis van een dodelijk vermagerde en gemartelde Christus, vol voetsporen van godloochenaars die op Christus' gelaat hebben getrapt. Het tegendeel dus van de triomferende Christusfiguur die hij meent te kennen. En Rodrigo’s enige ‘metgezellen’ in zijn zoektocht zijn evidente Judasfiguren: zwakkelingen die de bodem van hun menselijkheid hebben bereid en alle lafheid en smerigheid binnen zichzelf maar al te goed hebben leren kennen. Rodrigo beseft dat zijn lot meer op het hunne lijkt dan op dat van (de westerse) Christus: vol haat en afkeer beseft hij dat juist die regenaten, in hun zwakte en eenzaamheid, het foeilelijke maar getrouwe spiegelbeeld zijn van hemzelf.
De beproeving en verlatenheid van Rodrigo is kortom bijna te pijnlijk om te lezen, en zijn vertwijfeling is dus maar al te voorstelbaar. Dat hij zijn geloof loochent is dan ook geen verrassing. Maar het geniale van dit boek is dat precies op DAT moment, als Rodrigo dus weerloos staat tegen de verpletterende werkelijkheid en alles kwijt is wat hij heeft, hij TOCH de stem van Christus meent te horen. Die stem vertolkt geen boodschap die alle ellende overstijgt, integendeel. Wel is sprake van een soort vertwijfelde acceptatie van de zwakte, eenzaamheid, twijfel en slechtheid in hemzelf en van het zinloze leed in de wereld, en van een moeilijk te verklaren solidariteit met alle andere zwakke en slechte mensen om hem heen. Christus openbaart zich alleen als glimp, als vermoeden van een totaal zelfopofferende en onvoorwaardelijke liefde die Rodrigo niet meer kan opbrengen. Dat geeft Rodrigo wel een vreemd soort wrange berusting, maar geen verlossing. Daar gelooft Endo kennelijk niet in. Christelijk geloof is bij Endo geen bron van rust, maar van prangende vragen tot op het bot naar de zin van het leven in deze zo zinloze wereld. Bij Endo is geloof dus ook meteen geloofscrisis. Ik hou daar wel van: niet dat ik mij voortdurend dat soort levensvragen of zingevingsvragen stel (daar ben ik te slap en/of te nuchter en/of te oppervlakkig voor), maar boeken als deze laten volgens mij wel goed zien hoe peilloos diep en problematisch dit soort vragen zijn. En daarom heb ik dit ijzingwekkend deprimerende boek toch met grote bewondering en plezier gelezen.