Lezersrecensie
Een intrigerende essaybundel
David Foster Wallace is vooral in de V.S. nogal een cultschrijver, met heel fanatieke voorstanders - Zadie Smith bijvoorbeeld vindt hem van een andere planeet- en evenveel fanatieke tegenstanders. Het titelessay is in het Nederlands vertaald en erg positief besproken, maar er zijn over de bundel als geheel ook veel negatieve geluiden. Je vindt David Foster Wallace dus geweldig OF helemaal niks. Op basis van zijn essays (maar zijn verhalen en romans ken ik nog helemaal niet!) neig ik naar het eerste.
De essays in deze bundel gaan over van alles en nog wat: tennis, academische literatuurkritiek over 'de dood van de auteur', een fair in Illinois, het werk van David Lynch, televisiecultuur en ironie in Amerikaanse postmoderne romans, en (in het titelessay) de vervreemding die DFW voelt tijdens een luxueuze cruise. En dat laatste essay bijvoorbeeld is m.i. griezelig goed geschreven. En voor mij ook onverwacht boeiend: het onderwerp (luxe cruises) interesseert mij totaal niet, maar DFW's combinatie van hilarische humor en peilloze wanhoop des te meer. Een vreemde combi, wanhoop en hilariteit, maar wel een die past bij de vervreemdende sfeer zoals DFW die ervaart: de sfeer van geforceerde pret en continu aanwezige maar eigenlijk volstrekt onpersoonlijke service, de sfeer van even wezenloze als overdadige luxe en verwennerij, de sfeer ook van leegte (je doet ruim een week lang helemaal niks op zo'n boot) en vage schuldgevoelens daarover. Schuldgevoelens die dan weer verdrongen worden door halfslachtige redeneringen als 'ik MAG mij helemaal aan de leegte overgeven, ik heb het verdiend, ik moet herstellen'. Even een voorbeeld van hoe DFW zoiets beschrijft: 'A floral wholesaler in an aqua MARLIN shirt talks about how he's managed to drag the battered remnants of his soul through the X-mas-to-Valentine rush only by dangling in front of himself the carrot of this week of total relaxation and renewal'. Prachtige zin, vind ik, en ook prachtig ironisch. Ook erg raak is zijn beschrijving van cruisefolders, en hun holle suggestie van ultiem geluk. Of ook zijn beschrijving van een verveeld partijtje kleiduivenschieten, waar DFW niks van bakt, wat hij dan o.a. opluistert met een beschrijving van een kleiduif die hij niet heeft geraakt en die met een treurig boogje in de zee verwdijnt, 'splashless and sad'. Een sfeerbeeld dat m.i. meteen de wezenloze vervreemding van zo'n cruise voelbaar maakt.
DFW's stukken staan vol uitweidingen, en soms ook vol met voetnoten die soms iets toevoegen, soms juist een lang zijpad inslaan, soms maffe uitroepen als 'duh!', en die soms commentaar bevatten dat het hoofdverhaal helemaal omkeert. Zijn stukken maken daardoor vaak een wat wijdlopige en doelloze indruk. DFW's tegenstanders haken precies daarom ook af. Maar ja, IK vind die uitweidingen en voetnoten wel grappig en ook functioneel. Om te beginnen staan juist in die uitweidingen soms bijzonder scherpzinnige en goed geformuleerde gedachten, en met werkelijk geweldig geformuleerde zinnen. Ten tweede passen al die afdwalingen soms goed bij het onderwerp: het essay over de cruise krijgt daardoor (dus door het 'voortdobberende' karakter) b.v. eenzelfde soort wezenloosheid als de beschreven cruise. En het essay over David Lynch roept juist in de zijpaden een Lynch-achtige vervreemdende sfeer op, die je (net als de films van Lynch) niet moet begrijpen maar moet ondergaan: een wezenloos groot winkelcentrum waarin een lift steeds zonder mensen op en neer beweegt, een droog-humoristische beschrijving van een tegen de boom pissende David Lynch, enzovoort. DFW is niet altijd 'dwalend': zijn analyses van Lynchs films en van Twin Peaks zijn erg doelgericht en naar mijn smaak ook erg scherpzinnig. Maar daarnaast dwaalt hij dus af naar allerlei zijpaden, waarmee hij Lynchs stijl niet analyseert maar voelbaar maakt. Mooi, toch?
Bovendien vind ik het wel charmant dat DFW niet recht op zijn doel afgaat, maar afdwaalt, dingen herneemt, schrijft alsof hij zijn doel niet kent maar nog moet vinden. Daardoor krijgt het stuk ook een (voor mij althans) mooie dubbelzinnigheid. Een essay over een mij onbekende subtop-tennisser bijvoorbeeld toont via allerlei omwegingen de mooie kanten van diens toewijding aan de sport: 'But the radical compression of his attention and self has allowed him to become a transcendent practitioner of an art - something few of us get to be. It's allowed him to visit and test parts of his psyche that most of us do not even know for sure we have'. Tegelijk heeft die toewijding ook iets treurigs: de betreffende tennisser, Michael Joyce, zal niet doorbreken, en van een echte keus is geen sprake: Joyce heeft nooit echt nagedacht of hij dit wel wilde. Het blijft echter onbeslist of dit nu treurig is of niet. Zoals het ook onbeslist blijft of DFW, ooit zelf een heel aardig tennisser die DACHT heel talentvol te zijn, Michael Joyce benijdt OF juist blij is dat hij nooit als Michael Joyce is geworden. DFW velt geen oordeel, toont ons daarentegen zijn twijfel, en blijft ook zelf niet buiten schot. En dat geeft meer stof tot mijmeren en denken dan een stelliger geformuleerd essay.
Kortom, ik heb mij wel vermaakt met die man. Tegelijk denk ik dat hij voor veel anderen te wijdlopig en vormeloos is, en ik vond ook niet alle alinea's in al zijn stukken even geslaagd. Maar bij vlagen vond ik hem behoorlijk briljant, ik ben blij dat ik deze bundel gelezen heb, en ik ben nu extra nieuwsgierig naar zijn andere werk.