Lezersrecensie
Fenomenale afdalingen in het ongrijpbare niets
Onlangs las ik jubelend "Nohow On", waarin drie ongehoord uitgebeende novellen zijn gebundeld van de late Beckett. Meteen daarna las ik de roemruchte trilogie "Molly, Malone Dies, The Unnamable" van de vroege Beckett. Volgens veel mensen is dat zijn magnum opus, dat zelfs nog krachtiger is dan zijn fameuze en geniale toneelstuk "Wachten op Godot". Ik had dit fabuleuze boek al eens in (de overigens uitstekende) Nederlandse vertaling gelezen, maar ik herlas het nu in de Engelse vertaling van Beckett zelf. En ik was volkomen overweldigd. Nou ben ik nogal gauw enthousiast, maar dit boek is naar mijn smaak echt exceptioneel: ik vind het een onverbiddelijk meesterwerk uit de zeer zeldzame buitencategorie, en een kunststuk dat zelfs met zes sterren nog te karig zou zijn beloond.
Veel mensen houden niet van Beckett, maar ik vind zijn proza en toneelwerk uniek en onuitputtelijk. En ook inspirerend radicaal en onconventioneel. Elk werk van Beckett is namelijk ongehoord ongewoon van stijl en vorm, en dompelt je daardoor onder in een nooit eerder zo doorvoelde ervaring van woordloosheid, en in een nooit geziene wereld waar alles slecht is gezien en gezegd en die van totale vergeefsheid is doorregen. Je geboorte is al je dood, volgens Beckett: je wordt zonder reden geworpen in een wereld zonder enig waarom, en wel als sterfelijk en tot verval gedoemd wezen dat nooit zijn eindigheid overstijgt. Je kent de wereld buiten jou bovendien alleen via jouw eigen vervormde waarneming, dus als fictief beeld in je hoofd, en ook van je eigen hoofd begrijp je niets. Want alles wat je van jezelf meent te weten ken je alleen maar via de woorden en concepten van de taal, die er al was voordat jij er was en waar je dus nooit voor hebt gekozen. Zelfs het woord "ik" is maar een generaliserend concept, dat er al was voordat jij er was en dat net zo goed (of net zo slecht) van toepassing is op anderen die zich "ik" noemen. Dus elk woord over je eigen ik of elk beeld van je eigen ik is een drogbeeld, een schim, een hol geluid, een spookachtige schemering. Die nooit enige kern raakt, want er is geen kern. En elk woord over de wereld is een fout woord voor een al even fout beeld. Dus we dolen allemaal doelloos rond, zonder iets te begrijpen van de wereld of onszelf, zonder te weten wie we zijn of waar we zijn of wanneer we zijn, en ook zonder ooit te kunnen zeggen "waarom" wij of de dingen er zijn en zelfs niet DAT ze er zijn. Onder alle zogenaamd zinvolle beelden en wereldbeelden gaapt een leegte. Onder alle woorden die we gebruiken gaapt een woordloze stilte of een zinloze ruis. Zeker is slechts de dood, de leegte, het chaotische niets. Maar ook dat begrijpen we niet..... En precies tot dat niet- begrijpen wil Beckett verhouden. Sterker nog: hij wil het doorgronden en doorleven tot op het bot.
Beckett ondermijnt dus al onze zekerheden en rustgevende illusies, op behoorlijk confronterende wijze. Zijn werk is vol van bijna pijnlijk bodemloze en vlijmscherp kritiserende scepsis. Toch is zijn proza en toneel, juist door die alles ondermijnende scepsis, tegelijk ook bevrijdend en inspirerend: zelf was ik na het lezen van deze gitzwarte trilogie niet somber, maar juist opgetogen. In een prachtig essay over Proust (opgenomen in "Disjecta") onderscheidt Beckett op kraakheldere wijze de "verveling van het leven" en het volgens hem meer vruchtbare "lijden aan het bestaan". Onze waarneming, aldus Beckett, wordt sterk bepaald door de gewoonte: wij zien niet de ‘dingen zelf’ maar alleen het beeld dat wij ons er uit gewoonte van vormen. Precies die gewoonte geeft de wereld een zekere vertrouwdheid, maar ook een zekere eenvormigheid: vandaar de term "verveling van het leven". Het is uiteraard heel verontrustend om met de gewoonte te breken en die dingen vanuit ongebruikelijk perspectief te zien. Dan immers maakt de normale "verveling van het leven" plaats voor het "lijden aan het bestaan". Maar dat ziet Beckett juist niet als puur negatief: "Wanneer echter een object als enig en uniek wordt waargenomen, en niet enkel als lid van een familie, wanneer het onafhankelijk van elke algemene voorstelling dan ook en losgekoppeld van elke redelijke oorzaak aan ons verschijnt, geïsoleerd in het licht van de onwetendheid, dan en alleen dan kan het een bron van betovering zijn". ‘Betoverend’ worden de dingen dus pas als we hen uit hun gebruikelijke samenhang losmaken en er als onwetenden naar kijken. Dat is ook meteen beangstigend en pijnlijk, maar zonder die pijn is er alleen de gewoonte en geen betovering van het buitengewone.
De trilogie nu staat bol van het "lijden aan het bestaan" en het "licht van de onwetendheid", omdat elke conventie en gewoonte ondermijnd wordt. En dat dus ruim 450 ontregelende bladzijden lang. Want al die bladzijden staan vol met volkomen desoriënterende zinnen en beelden. Bovendien worden die zinnen en beelden vaak meteen ontkend, of omgekeerd, of tegengesproken, of afgebroken met een korzelig 'nee, laat maar'. En Beckett is ook nog een kei in pikzwarte, ontregelende en groteske grappen. Molloy, een fysiek en mentaal steeds meer desintegrerende hoofdpersoon in deel 1 van deze trilogie, mijmert bijvoorbeeld op tamelijk hallucinatoire wijze over zijn moeder, "who brought me into the world, through the hole in her arse if my memory is correct. First taste of the shit". Dat is een wel heel groteske verbeelding van zijn geboorte en zijn oorsprong. Wat nog versterkt wordt door diverse andere, minstens zo groteske gedachten over zijn moeder, en over zijn gevoelens voor haar. En dat alles wordt nog extra absurd omdat het hier mogelijk gaat om drogbeelden of verzinsels: alle gewone banden tussen woord en ding zijn bij Molloy doorgesneden, dus heeft hij geen enkele greep meer op de fenomenen binnen of buiten zijn hoofd. Want woorden zijn voor hem vaak "pure sounds, free of all meaning" die "were often to me as the buzzing of an insect". Soms herkent hij zelfs zijn eigen lichaamsdelen niet meer: "And when I see my hands, on the sheet, which they love to floccillate already, they are not mine, less than ever mine, I have no arms, they are a couple, they play with the sheet, loveplay perhaps, trying to get up perhaps, one on top of the other". Bovendien is volgens hem alles in en rondom hem van vergankelijkheid doorregen. Wat terugkeert in diverse ongelofelijk zwart- komische zinnen, zoals: "It is in the tranquility of decomposition that I remember the long confused emotion which was my life, and that I judge it, as it is said that God will judge me, and with no less impertinence. To decompose is to live to, I know, I know, don't torment me, but one sometimes forgets".
Vervreemding is kortom troef in deze trilogie. En die vervreemding wordt extremer en extremer. In deel I van "Molloy" volgen we al met verbazing de lotgevallen van de steeds meer desintegrerende Molloy, die uiteindelijk alleen maar kan kruipen en op zijn rug kan liggen. Maar in deel II van "Molloy" is de hoofdpersoon ineens ene Moran, die de schimmige opdracht heeft om Molloy te vinden en een rapport over hem te schrijven. Een cryptische opdracht van ene Youdi (wat wel de geamputeerde versie lijkt van "Jahweh"), via zijn boodschapper Gaber (een geamputeerde versie van "Gabriel"). Is deel I dan Morans verhaal over Molloy? Of is Moran juist een personage dat is verzonnen door Molloy? We weten het niet. We weten alleen dat Moran op dezelfde manier desintegreert als Molloy, zowel fysiek als geestelijk, en dat zijn binnenwereld en buitenwereld nog meer in mist is gehuld. En we zien ook dat deel II van "Molloy" zichzelf onderuit haalt. Dat deel begint, ogenschijnlijk conventioneel, met "It is midnight. The rain is beating on the windows". Maar het eindigt met de regels "Then I went back to the house and wrote, It is midnight. The rain is beating on the windows. It was not midnight. It was not raining". De zinnen uit het begin keren dus terug aan het eind, waardoor het verhaal de vorm van een vicieuze cirkel krijgt: bovendien worden die zinnen ontmaskerd als ficties, verzinsels, onwaarheden. Wat nog meer mist en onbepaaldheid toevoegt aan het toch al zo raadselachtige verhaal.
Maar ja, het kan nog raadselachtiger en onbepaalder: in "Malone Dies" is de hoofdpersoon, wiens naam niet voor niets klinkt als een ingeslikt "I'm Alone", zelfs nog ongedefinieerder. Ook is hij in nog sterkere mate tot bijna niets gereduceerd. Malone en Moran zijn, als kruipende en liggende wezens, al bijna niets, maar Malone doet niets dan liggen in een ongedefinieerde, verlaten en steeds legere ruimte. Met niets meer dan een bloknoot, een potlood en een bed. Die mogelijk alleen in zijn ijlende hoofd bestaan. Totdat ook dat allemaal verdwijnt. Bovendien, Malones taal wordt steeds ijler en leger naarmate Malone dichter bij het moment van sterven komt..... En die steeds toenemende ijlheid en leegte is naar mijn smaak enerverender en indringender dan welke conventionele sterfscene dan ook.
Molloy, Moran en Malone zijn bovendien alle drie schrijvers, die de leegte vullen met verzinsels, of soms als het ware van buitenaf overvallen worden door die verzinsels die huns ondanks die leegte vullen. Tegelijk echter zoeken ze ook die leegte, die stilte, dat niets dat onder de woorden schuilgaat. Die spanning maakt Beckett geweldig voelbaar, omdat zijn zinnen zichzelf (en ons) vaak zodanig ontregelen dat ze bijna ontaarden in zinloze ruis. En dat wordt tot in het ultieme opgevoerd in "The Unnamable", waarin de ik- figuur niet eens meer een naam heeft en nauwelijks een gestalte. Mogelijk niet eens een eigen stem, in elk geval geen definieerbare eigen identiteit. Ook hij (wie?) is een schrijver, al heeft hij mogelijk geen handen en zelfs niet eens een hoofd. Hij spuugt dus allerlei zichzelf ondermijnende verhalen op ons af, met vage en contourloze personages, onder wie trouwens Molloy, Moran en Malone. Maar ook - what is in a name! - ene Worm. Die personages lijken, ondanks of juist dankzij hun vaagheid, een soort alter ego te zijn van "The Unnamable". Alsof "The Unnamable" alleen over zichzelf kan praten via ficties en verzinsels. Bovendien kan hij, tot zijn frustratie, over zijn eigen unieke binnen- en buitenwereld alleen spreken in de taal van anderen. Nu is dat volgens veel taalfilosofen het lot van ons allemaal. Ik zei het al eerder: zelfs het woord "ik" is maar een generaliserend concept, dat er al was voordat jij er was en dat net zo goed (of net zo slecht) van toepassing is op anderen die zich "ik" noemen. Dus elk woord over je eigen ik is een drogbeeld, een schim, een hol geluid, een spookachtige schemering. Wij beseffen dat echter niet, we staan er in elk geval meestal niet lang bij stil. In Becketts trilogie staat dit besef echter op de voorgrond, vooral in "The Unnamable". Want daarin halen de zinnen zichzelf volkomen onderuit, en wordt elke eenduidige betekenis in totale chaos en ambiguïteit versmoord.
Dat is ten eerste een protest en een fundamentele taalkritiek: de ambiguïteit en onbepaaldheid die eigen is aan onze woorden wordt door Beckett tot in het karikaturale uitvergroot. Als om ons ervan te doordringen dat onze taal helemaal niet zo helder en transparant is als wij meestal denken. En dit protest gaat in "The Unnamable" gepaard met woede tegen de taal en de woorden, omdat die de identiteit van hemzelf en de wereld vervalsen. Maar tegelijk is "The Unnamable" ook een zoektocht: naar de stilte en leegte die ontsnapt aan onze woorden, naar de "unnamable" identiteit die je zou overhouden als je van alle talige betekenis abstraheert, naar hoe de dingen en ons ik er uit zouden zien in het licht van de totale onwetendheid. Want volgens Beckett maakt alleen die onwetendheid werkelijke betovering mogelijk, zoals ik boven al aangaf. Of, zoals de "Unnamable" het zelf zegt: "Dear incomprehension, it's thanks to you I'll be myself, in the end. Nothing will remain of all the lies they have glutted me with".
Precies die "incomprehension" staat naar mijn gevoel voorop in de trilogie: het ondefinieerbare niets dat de personages van binnenuit en van buitenaf doordringt is waaraan zij lijden, maar ook wat zij zoeken. Door al zijn paradoxen en zichzelf onderuit halende zinnen heeft deze trilogie zelfs iets weg van een tekst uit de negatieve theologie: een tekst die puur uit negaties bestaat, en daardoor de aandacht vestigt op het onnoembare dat niet in taal is te vatten. Zoals Moran, die meestal in de verleden tijd vertelt, om te onderstrepen dat "I do not know, it is perhaps no longer so, it is too soon to know, I simply do not know, perhaps shall never know". Of zoals Malone, die zegt: "What am I to do, what shall I do, what should I do, in my situation, how proceed? By aporia pure and simple?" Om even later zelfs te zeggen "I say aporia without knowing what it means". Wat weer een extra aporie -dus: een extra niet op te heffen paradox- oplevert. En weer een nieuwe negatie, die het onbenoembare benadrukt.
Vaak zijn die negaties - die zichzelf onderuithalende, ambigue en ongrijpbare beelden- ronduit prachtig. Bijvoorbeeld:"[P]erhaps that's what I feel, an outside and an inside and me in the middle, perhaps that's what I am, the thing that divides the world in two, on the one side the outside, on the other the inside, that can be as thin as foil, I'm neither one side or the other, I'm in the middle, I'm the partition, I've two surfaces and no thickness, perhaps that's what I feel, myself vibrating, I'm the tympanum, on the one hand the mind, on the other the world, I don't belong to either [...]". Veel filosofen zien de mens als een subject, dat zich autonoom en op rationele wijze verhoudt tot de objecten. De "Unnamable" echter ziet zichzelf, althans voor even, als een "tympanum" (trommelvlies of trommelholte), als een flinterdun folie tussen binnenwereld en buitenwereld, en precies dat flinterdunne en vibrerende "tussen" is dan wie -of wat- hij is. Geen rationeel en autonoom subject, geen kenbaar object, maar de trillende en onbeslisbare tussenzone van ik en wereld. Waarbij "ik" en "wereld" beiden worden bezien vanuit het licht der onwetendheid. Zoals ook in "Molloy" de normale grenzen tussen subject en object soms worden doorbroken, en ook het zijn van Molloy zelf als een illusoir omhulsel wegvalt: "And there was another noise, that of my life become the life of this garden as it rode the earth of deeps and wildernisses. Yes, there were times when I forgot not only who I was, but that I was, forgot to be. Then I was no longer that sealed jar to which I owed my being so well preserved, but a wall gave way and I filled with roots and tame stems for example, stakes long since dead and ready for burning, the recess of night and the imminence of dawn, and then the labour of the planet rolling eager into winter, winter would rid it of these contemptible scabs".
Veel mensen zullen niks kunnen met deze passages, maar ik vind ze schitterend. Net als de volgende, waar op aanstekelijke wijze wordt verlangd naar een soort oningevulde open plek tussen de gedachten en de woorden, een plek waar denken en spreken onmogelijk is: "[Y]our thoughts wander, your words too, far apart, no, that's an exaggeration, apart, between them would be the place to be, where you suffer, rejoice, at being bereft of speech, bereft of thought, and feel nothing, hear nothing, know nothing, say nothing, are nothing, that would be a blessed place to be, where you are". Of ook de volgende, waarin hij de woordloosheid onder de woorden zoekt: "I'm all these words, all these strangers, this dust of words with no ground for their settling, no sky for their dispersing, coming together to say, fleeing one another to say, that I am they, all of them, those that merge, those that part, those that never meet, and nothing else, yes, something else, that I'm something quite different, a quite different thing, a wordless thing in an empty place, a hard shut dry cold black place, where nothing stirs, nothing speaks [...]". Soms zelfs poogt de "Unnamable" zich een wereld voor te stellen waarin subject en object geheel zijn verdwenen: "And the face? Balls, all balls. I don't believe in the eye either, there's nothing there, nothing to see, nothing to see with, merciful coincidence, when you think what it would be, a world without spectator, and vice versa, brrr! No spectator then, and better still no spectacle, good riddance. If this noise would stop there'd be nothing more to say". Hier komt de "Unnamable" wel erg dicht bij de onbenoembaarheid van zichzelf en de wereld. En wel erg dicht bij de woordloze stilte, ondanks dat hij nog steeds woorden nodig heeft om stem te geven aan die stilte....
Veel mensen houden niet van Beckett. Veel anderen bewonderen Beckett, als scepticus die al onze zekerheden op ongezien radicale wijze ondermijnt. Zelf bewonder ik dat eveneens, maar ik bewonder hem nog meer om zijn exploraties van het niet-weten. Ik bewonder vooral hoe hij ervaringen evoceert waarin alles in totale onwetendheid is verhuld. Ik hou van de manier waarop hij in woorden tast naar dat waar woorden geen vat op hebben. Ik hou van zijn formidabele afdalingen in het onkenbare niets. En ik ben dus nog lang niet met hem klaar.