Lezersrecensie

Ode aan de verbeeldingskracht


Nico van der Sijde Nico van der Sijde
13 mrt 2016

De IJslandse schrijver Sjón (1962) is nogal een superster: zijn boeken verkopen als een tierelier en scoren hoog in het literaire prijzencircuit. Ook is hij bekend als tekstschrijver van Bjork. Door dat alles werd ik wel erg nieuwsgierig, dus toen ik zag dat “Uit de bek van de walvis” jubelende kritieken kreeg in Engeland (o.a. van Byatt) en Nederland besloot ik dat het er maar eens van moest komen. Nou, gelukkig maar: “Uit de bek van de walvis” is een ongelofelijk origineel en aanstekelijk boek dat alle conventies op inspirerende wijze aan zijn laars lapt.

Het verhaal speelt in IJsland, vroeg in de 17e eeuw. Hoofdpersoon is Jonas Palmason, bijgenaamd ‘de geleerde’, die vol passie wetenschap bedrijft en magische verhalen verzamelt en onderzoekt. Iemand dus die hongert naar kennis van de zichtbare en niet-zichtbare wereld, en die de wonderbaarlijke rijkdom wil doorvorsen van zowel de materiële wereld als de bovenzinnelijke wereld. Een overgangsfiguur in een overgangstijd, zou je kunnen zeggen: iemand midden in de overgang van middeleeuwen naar renaissance, die de geboorte meebeleeft van wetenschap en verlichting, maar die ook volop doordesemd is van de magie van de IJslandse belevingswereld en van de katholieke en Keltische heiligenverhalen. Hij is verzot op de exacte taxonomie van planten en dieren, maar even verzot op spoken en op het zoeken naar de steen der wijzen. En juist die combinatie van ratio en magie maakt hem mijns inziens tot zo’n aanstekelijke figuur. Voor mij althans: de IJslandse machthebbers van die tijd vervolgen hem meedogenloos en verbannen hem naar een onbewoond eiland. Wat uiteraard veel ellende betekent voor Jonas, maar wat hem niet belet om de denken, te lezen en te dromen. En hoe.

Het verhaal navertellen is onmogelijk, want het is te grillig en wordt in te veel stijlen verteld. Droom en surrealistisch visioen worden afgewisseld met een encyclopedische of meer verhalende vertelwijze en dan weer met de stijl van een historische kroniek; het perspectief verschuift van Jonas als ik-figuur naar een alwetende verteller en weer terug; realistische vertellingen ontaarden ineens in puur poëtische magie, zoals totaal surrealistische dromen ineens verder gaan als realistische weergave van historische feiten. Encyclopedische lemma’s over planten of dieren worden afgewisseld met mythische vertellingen, die dan weer worden afgewisseld met poëtisch proza of rijmende poëzie. Jonas zelf is een historische figuur die echt bestaan heeft, maar zoals hij hier beschreven wordt is hij tegelijk ook de droom van iemand die hij zelf gedroomd heeft, de IJslandse belichaming van de Bijbelse Jonas, de dubbelganger van Faust, enzovoort. Zijn gedachten zijn soms bijna 20e eeuws modern, en dan weer archaïsch, op eigenzinnige wijze Bijbels of juist heidens. Kortom: alle grenzen vervloeien in dit boek.

Dat geldt voor de vorm en de stijl, maar zeker ook voor de inhoud. Jonas mijmert op een gegeven moment over de vele grillige en veranderlijke beelden die je kunt zien als je lang blijft kijken naar een lavastroom, een wolk stoom, een waterstroom, een veld dat golft in de wind, een wolkenhemel in al zijn uitgestrektheid met al die verschillende wolken in verschillende kleuren en gedaanten: steeds zie je nieuwe figuren, nooit staan die figuren stil, maar elke figuur is intrigerend genoeg om te worden opgeslagen in de eindeloze encyclopedie van de visuele wereld. En dat, zo denkt Jonas, kenmerkt ook de wereld als geheel: alles ontstaat en vergaat en verandert voortdurend van gestalte, wat soms heel vreselijk is maar vaak ook heel prachtig. En juist wat het meest grillig en onbruikbaar is vindt Jonas ook het meest luisterrijk, want juist daardoor wordt zijn fantasie het meest aan het werk gezet. Zoals ook de fantasie van de lezer enorm aan de werk gezet wordt door de bonte grilligheid van dit boek. Niets is voor Jonas als in beton gegoten, alle grenzen zijn vloeiend, en God zetelt dus niet in een onwrikbare troon boven de dingen maar in de vele onvatbare veranderlijke overgangsruimtes tussen de dingen. Oftewel: “het goddelijk wezen leidt niet een comfortabel leven in een labyrint van vlammend verhulde hertengeweien, noch pronkt Hij met de met licht bezette geweientakken, nee, Hij bestaat in de koele ochtendlucht tussen de takken in de complexe kroon van het dier”. Zo ongrijpbaar, licht en open is voor Jonas God. Of, anders gezegd: juist in het opene, ongrijpbare en veranderlijke schuilt voor hem de pracht van de wereld.

Dit boek is voor mij een schitterende ode aan de verbeeldingskracht, en een lofzang op de ongrijpbare grilligheid van onze wereld. Een lofzang die in vorm, stijl en inhoud even ongrijpbaar is als de wereld die hij bezingt. Een boek vol ellende en wreedheid, want Jonas leefde in harde tijden en werd wreed vervolgd. Bovendien is de wereld natuurlijk niet alleen maar licht en veranderlijk, maar soms ook onverbiddelijk en onbeweeglijk als gewapend beton. Maar ook dat vertoont kieren en tussenruimten, al is er fantasie voor nodig om die te zien of te dromen: dit boek is naar mijn idee een bijzonder inspirerende lofzang op precies die fantasie.

Reacties

Meer recensies van Nico van der Sijde

Boeken van dezelfde auteur