Lezersrecensie
Protheïsche persoonlijke essays vol nostalgie en dwalend verlangen
André Aciman is voor mij echt een ontdekking: "Valse papieren" is het vierde boek dat ik dit jaar van hem las, en ik vermaakte mij weer opperbest. Het boek zit weer vol nostalgie, verlangen en weemoed, net als zijn prachtromans "Call me by your name" en "Enigma variations", en net als zijn essaybundel "Alibi's" die hij later schreef maar die ik eerder las. Ook gaat het weer over ontworteldheid, het gevoel nooit ergens echt thuis te zijn, nooit te kunnen wonen in een tastbaar hier en nu. En ook hier gaat dat samen met het gevoel dat juist die thuisloosheid, en dat voortdurend onbevredigde verlangen naar verleden en toekomst, weliswaar pijnlijk zijn, maar ook vitaliserend. Want leven vol onbevredigd en onbevredigbaar verlangen is voor Aciman veel rijker en intenser dan gewoon onnadenkend wonen in het alledaagse hier en nu.
Die onderwerpen vervelen mij niet, ook niet nu ik ze in een vierde boek weer tegenkom. Integendeel zelfs: het lijkt wel alsof ik steeds meer gehypnotiseerd wordt door Acimans elegante stijl en weemoedige toon. En ook door de wijze waarop hij, door zeer tastend te schrijven, variatie aanbrengt in deze onderwerpen: in lange zinnen die naar een kern zoeken, maar die net niet raken, en die worden opgevolgd door andere lange zinnen die op een andere manier rond een kern cirkelen, en daardoor weer een nieuw, geheimzinnig en licht corrigerend licht laten schijnen op de vorige zin. Nooit raak je uitgedwaald of uitgemijmerd in een boek van Aciman. Nooit kom je uit op een definitieve conclusie of kernpunt. Nooit wordt je als lezer gewekt uit je dwalende, tastende droom. Ook niet als je verschillende van zijn boeken leest en met elkaar vergelijkt, want daardoor wordt het raadsel vooral verder vergroot.
"Valse papieren" is een bundeling van persoonlijke, autobiografische essays, waarin Aciman meanderend en mijmerend vertelt over zijn ervaringen met steden, personen, schrijvers en liefdes. Sommige van de stukken zijn helaas wat anekdotisch en oppervlakkig, maar de meeste zijn ronduit prachtig door hun stijl en toon en door de ongrijpbare sfeer die zij oproepen. Een sfeer waarin het hier en het nu altijd doordesemd is van verlangend dromen over ongrijpbare toekomsten en nostalgisch verlangend terugkijken naar voorgoed verloren verleden. In het hier en nu is Aciman dus altijd ook in een ongrijpbaar elders. In zijn geboortestad Alexandrië, waar hij als Jood niet welkom was en waaruit hij dus ook werd verdreven, verlangde hij naar Rome, en in Rome verlangde hij weer naar Alexandrië. Waarbij het nostalgisch terugverlangde Alexandrië niet gewoon de stad "Alexandrië" is, maar vooral het oord dat in Acimans beleving doordesemd is van verlangens naar een utopisch Jerusalem, van allerlei ervaringen met schrijvers die hij toen las, van dromen over Europa, en ga zo maar door. Bovendien verandert dit Alexandrië ook voortdurend in Acimans geest, bijvoorbeeld door Kavafis' dichtregels over deze stad die Aciman pas nadat hij daar verdreven is leert kennen. Parijs is voor Aciman niet de eerste plaats een stad, maar een sfeer. Zijn woonplaats New York is vooral een oord vol raadselachtige enclaves, die voor Aciman allemaal een soort stad in de stad zijn, en die doen denken aan Alexandrië, wijken in Parijs en Rome, ongrijpbare en vervlogen liefdesgeschiedenissen die op even ongrijpbare wijze zijn vervlochten met raadselachtig verlangende zinnen van Wordsworth, Proust, Stendahl.
Naar dat alles kijkt Aciman met een gevoel van illegaliteit, het gevoel van de balling die geen thuis heeft of kan hebben: vandaar de titel "Valse papieren". Maar juist dat gevoel van thuisloosheid is Acimans thuis, zoals dat volgens Aciman ook het geval was bij zijn grote held en voorbeeld Marcel Proust. Want Proust was, in Acimans prachtig geschreven interpretatie, voortdurend op zoek naar een definitief verloren tijd: naar een voorgoed verloren paradijs en naar voorgoed verloren dromen van een mooie toekomst. En juist dat geeft aan Prousts roman een enorme intensiteit, die Aciman als volgt prachtig oproept: "That was how he lived his life - first by wanting to live it, and later by remembering having wanted to, and ultimately by writing about the two […]. The part in between- the actual living- was what had been lost. Proust's garden was little more than a place where he had once yearned to be elsewhere - never the primal scene or the ground zero, Illiers itself was simply a place where the young Proust dreamed of a better life to come. But, because the dream never came true, he had learned to love instead the place where the dream was born. That life did happen, and happened so intensely, to someone who seemed so reluctant to live is part of the Proustian miracle".
Illiers, de plaats waar Proust leefde en die door Proustianen wordt aanbeden, was in Proust' tekst dus vooral het symbolisch oord van vergeefs verlangen en onblusbare nostalgie, maar precies daardoor krijgt dit oord op papier een enorme intensiteit. Prousts werk zit vol vibrerend leven, juist door het vergeefse verlangen ernaar. En dat krijgt zijn volle vorm en intensiteit in en dankzij Prousts "A la recherche du temps perdu", dat daarmee zelf ook een manifestatie van verlangen is. Hij leeft vooral op door hemzelf beschreven papier, maar daar leeft hij dan ook enorm intens. Of, zoals Aciman schrijft: "The tekst is nostalgic for the life it is to be a transcription of. But it is just as much transcription of that life's own desire to work itself into a book. To put it in very simple terms: the desire to write A la recherce is what the narrator's life was all about". Of, zoals Aciman nog weer later schrijft: "The real nostalgia is not for a place but for the record of that nostalgia". Pregnant is ook Acimans beeld van "prisoners who express their love for the free world by painting its portrait on their wall come to worship the wall and not the world". Elk hier en nu is vol van een ongrijpbaar elders, zoals ik eerder al zei; de volle lading van dat elders (alle grilligheden van het verlangen, alle ongrijpbare aspecten van het verleden en de nostalgie daarnaar) ontgaat ons in het leven van alledag omdat het enorme aandacht en ook verbeeldingskracht vraagt: vandaar dat dit elders alleen volop tot leven komt in rijke literaire werken als die van Proust. En daarom is verlangen naar het ongrijpbare leven, voor Proust zelf en voor de verteller in zijn roman, helemaal vervlochten met het verlangen naar het schrijven van die roman. Verlangen dus naar fictie, als "realm where memory and imagination traded places with the dizzying agility of an entrechat".
Aciman zegt hier hele mooie dingen over Proust, waar ik als idolate Proustfan erg van geniet. Hij doet dat met tastende zinnen, die nooit een definitieve kern bereiken en elkaar bovendien corrigeren: op Proustiaanse wijze dus, en op een manier die het raadsel vooral vergroot. Wat nog versterkt wordt door de even meanderende zinnen over andere schrijvers, die op net weer andere wijze met dezelfde thema's worstelen als Proust, en ook door de net weer andere perspectieven die Aciman in andere boeken (zoals "Alibi's") biedt op dezelfde Proust. Intrigerend daarbij is dat Aciman, door zo tastend te schrijven over Proust maar ook over Wordsworth, Svevo, Stendahl en anderen, indirect ook tastend schrijft over zijn eigen schrijverschap. Alleen indirect echter, wat de motieven van Aciman extra raadselachtig en intrigerend maakt. Dat laatste doet hij nog op allerlei andere manieren. Bijvoorbeeld door in sommige van zijn essays niet zozeer te schrijven over bepaalde ervaringen, maar over nooit voltooide verhalen die hij naar aanleiding van die ervaringen schreef. Aldus onderstrepend dat het hem vooral gaat om de verbeeldingskracht die vorm geeft aan die ervaringen, en aan het gevoel dat die vormgeving nooit ten volle kan slagen. Bovendien merken we vaak midden in een essay dat sommige ervaringen niet waar zijn gebeurd, maar zijn verzonnen. Waardoor we bij andere passages ons meteen afvragen of het nou fictie is of niet. En ook zijn persoonlijke geschiedenis wordt door Aciman met raadselachtige fictie doorregen. Hij heeft, ook naar eigen zeggen, de blik van de balling: hij is immers een uit Alexandrië verdreven Jood. Maar dat Joods- zijn wordt vervolgens geduid, of via tastende zinnen omcirkeld, in associaties met Wordsworth, Proust, Svevo, Stendahl. Of associaties met het Bijbelse verhaal over het Joodse volk dat werd verdreven uit Egypte. Of met meanderende mijmeringen over hoe voorvaderen van Aciman door vele landen dwaalden, daarbij vele identiteiten aannamen of veinsden aan te nemen, soms meerdere keren tot meerdere godsdiensten werden bekeerd of veinsden te zijn bekeerd en dan steeds hun eigenlijk geloof - voor zover oprecht aanwezig- verborgen.
Kortom: hoe meer stukken je van Aciman leest, hoe pluriformer hij wordt, en hoe minder je weet wie hij in de kern eigenlijk is. Je krijgt alleen elkaar tegensprekende glimpen, en dat is precies de bedoeling. In een van zijn stukken schrijft Aciman enorm suggestief over Matisse, die er bewust voor koos om ons in allerlei schilderijen alleen maar een glimp of zelfs alleen maar een suggestie voor ogen te toveren van de zee die hem zo fascineerde. Hij ging niet als een toerist op het strand staan, maar nam afstand, schilderde een voorgrond met daarin bijvoorbeeld een raam met gesloten luiken, en daar doorheen zag je net een glimp die het vermoeden opriep van de zee verderop. Maar juist die glimp, juist die tantaliserende indirectheid, wekt verlangen, doet een appel op onze verbeeldingskracht. En Acimans stukken hebben precies dezelfde soort tantaliserende indirectheid. Wat hij ons indirect vertelt in zijn passages over Matisse.
"Valse papieren" bundelt dus essays over verlangen die door hun stijl en vorm een appel doen op ons verlangen. Door die essays kijk ik nu voor even anders naar de dingen in mijn eigen kamer, omdat ik voor even besef dat ze in mijn hoofd ook zoveel andere dingen zijn dan de dingen in mijn kamer. En door die essays verlang ik naar nog weer andere boeken van André Aciman.