Lezersrecensie
Naïef - kinderlijk en bodemloos ironisch: de fascinerende dubbele blik van Henry James
Vrij kort geleden werd ik helemaal weggeblazen door Henry James' "The portrait of a lady". Dat was zodanig overweldigend dat ik veel meer wou lezen van James. Dus las ik "What Maisie knew", een van zijn vele andere beroemde highlights, en dat was ook weer helemaal prachtig. Een boek dat door zijn vele lange en ongenadig subtiele zinnen tot langzaam lezen dwingt, en dat ons dan via die zinnen ook nog eens confronteert met allerlei menselijke laagheden en met onbeantwoordbare vragen. Maar ook een boek dat ik heel graag las, door de subtiliteit en stilistische brille van die zinnen.
Weer werd ik overweldigd door de diepte van de reflectie, waarin ook de meest onbewuste en onopgemerkte facetten van de menselijke geest zorgvuldig werden omcirkeld. En weer werd ik verbluft door de dialogen, waaronder van alles stroomt en voortwoekert, en waarin de gesprekspartners veel meer onaangenaams over zichzelf onthullen dan ze zelf wel weten. Een geniale psycholoog, die James, juist omdat hij zo'n geniale en veeleisende stilist is: zijn grillige, meanderende zinnen zijn precisie-instrumenten die nodig zijn voor beter begrip van onze grillige, meanderende geest. Of, anders gezegd, van de rijkdom van de menselijke ervaring, die James in het essay 'The art of fiction' prachtig karakteriseert als "never limited and never complete; it is an immense sensibility, a kind of huge spider-web, of the finest silken threads, suspended in the chamber of consciousness and catching every airborne particle in its tissue. [….] It takes to itself the faintest hints of life, it converts the very pulses of the air into revelations". Die ervaring, en die enorm subtiele gevoeligheid en receptiviteit, wordt nagestreefd in James' gevoelige en subtiele zinnen. Ook in "What Maisie knew".
James zelf noemde dit boek een "ugly little comedy". Het verhaal heeft inderdaad alle trekken van een groteske en "ugly" farce, waarin een jong kind, Maisie, vermalen wordt door de bijna karikaturale slechtheid of onverschilligheid of daadloosheid van diverse volwassenen. Het bizarre vertrekpunt van het verhaal is de scheiding van Maisie ouders, die gekoppeld is aan de nogal barokke afspraak dat beide ouders Maisie om beurten een half jaar in huis nemen. Maisie wordt meteen al een speelbal, want beide ouders negeren en verwaarlozen Maisie totaal, en als ze al met Maisie spreken lozen ze hun haat voor hun gewezen partner en claimen zij op vrij erratische wijze dat Maisie van hem/haar houden moet en niet van die partner. En tegelijk willen ze eigenlijk geen van beiden voor haar zorgen, terwijl ze op andere momenten weer het alleenrecht op haar opeisen, om haar twee seconden later weer te verstoten.
Dit alles wordt nog grotesker en instabieler doordat beide gescheiden ouders weer hertrouwen, in huwelijken die eveneens in groteske onenigheid uitmonden. Bizar genoeg ontstaat er vervolgens ook nog een - uiteraard weer tot mislukken gedoemde- verhouding tussen beide stiefouders. Stiefouders die zich als de vreemdste surrogaatouders aller tijden ontpoppen, en die - net als de oorspronkelijke ouders- op volkomen erratische wijze de liefde van Maisie claimen, zonder zelf oprecht en belangeloos van elkaar of van Maisie te houden. Dus nu heeft Maisie twee ouderparen, allebei conflictueus en disfunctioneel. En om het ingewikkelder te maken is er ook nog mrs Wix, de foeilelijke, stokoude, en door adembenemende persoonlijke tragiek heel zielige gouvernante van Maisie. Een volkomen tragi-komische figuur met kwezelachtige trekken en een opvallende fysieke bijziendheid, die ook symbolisch lijkt voor beperkingen in haar wereldopvatting, maar wel iemand die oprecht van Maisie houdt.
Een kluwen van totale gevoelsambivalentie dus, waarin de heel jonge, en onbegrijpelijk onschuldige Maisie ingrijpende keuzes moet maken: hoe te kiezen tussen vier, volmaakt onbegrijpelijke, onvoorspelbare en helemaal losgeslagen ouders, waarvan een (de stiefvader) ook nog eens een soort gedroomde fantasie-minnaar lijkt? En wat te doen met de tragi-komische surrogaatmoeder mrs. Twix? Beide stiefouders roepen, in de adembenemende laatste hoofdstukken, geregeld: "I am free, I am free", daarmee bedoelend dat ze denken binnenkort te kunnen scheiden van Maisies vader resp. moeder. Maisie zelf denkt ook "I am free, I am free", en haar wordt tevens ingeprent dat ze vrij is om te kiezen, maar voor haar is die vrijheid een bodemloze afgrond.
Een afgrond die ik interpreteerde als een existentialistische leegte, als de peilloze afgrond van onbeslisbaarheid die volgens existentialisten onder elke keuze gaapt. Voor Maisie is er in elk geval geen enkel houvast. Geen wonder dan ook dat ze aan het eind van het boek vooral ervaart hoe onmogelijk het is om te kiezen. Geen wonder dat alles eindigt in teleurstelling, melancholie en voorgoed verloren hoop. En geen wonder dat het verhaal uitmondt in "the death of her childhood". Precies die desillusie, dat is wat Maisie uiteindelijk 'weet'.
Door zijn wel heel fors aangezette dramatiek, gekoppeld aan allerlei uiterst verrassende maar vaak ook bizarre en groteske plotwendingen, heeft dit verhaal alle trekken van een farce. Tegelijk is het uiterst strak geconstrueerd, en vol symmetrische spiegeleffecten en contrapunten: het is bijvoorbeeld eindeloos intrigerend om de verschillen en overeenkomsten te bekijken tussen Ida (Maisies moeder) en sir Claude (Maisies stiefvader), of om te zien hoe in het huwelijk van de stiefouders allerlei motieven uit het huwelijk van de ouders op symmetrische wijze worden hernomen. Ook is het boek strikt scenisch opgebouwd, met Maisie als niet-begrijpend middelpunt van het vaudeville van groteske ontwikkelingen.
Die combinatie van farce met strakke constructie, en van totale onbeheerstheid van de emoties met de bijna maniakale strakheid van James' romanvorm, vond ik fascinerend. Alsof James die zo strakke vorm nodig had om niet te verzuipen in het moeras van troebele passies dat hij schetst. Of alsof hij vreest dat de lezer daarin verzuipt, zonder het houvast van die strakke vorm.
Maar nog veel fascinerender, en zelfs ronduit geniaal, vond ik het dubbele perspectief dat James steeds kiest. Alles wat in dit boek gebeurt, gebeurt steeds in bijzijn van Maisie, en we zien alles steeds via haar naïef- kinderlijke blik. Door haar blik beleven we dus de dialogen waarin de ouders en stiefouders onbedoelde glimpen bieden op hun volkomen van elke moraal losgerukte innerlijk, en we zien hoe zij naïef- kinderlijk reflecteert op alles wat er gebeurt. Zij heeft een blik die zich over veel verwondert, die veel vermoedt maar veel niet begrijpt, een blik ook die zeker aan het slot meer en meer wordt gevoed met duistere angst voor het onbegrijpelijke en onbevattelijke. Dat is de blik die we als lezer moeten volgen, wat soms pijnlijk is, omdat we daardoor soms net zo opgesloten zitten als Maisie zelf in haar omstandigheden en in haar kinderlijke onbegrip. Maar we kijken niet direct met Maisie mee, zien niet letterlijk wat zij ziet en lezen wat zij denkt niet in letterlijk haar eigen woorden: wat Maisie ziet, en weet, vernemen wij via een verteller die met Maisie mee kijkt. Een verteller dus die in zijn woorden weergeeft wat Maisie ziet, denkt, weet, half bewust vermoedt en vreest. Een verteller bovendien die alle vreselijkheden met ironische distantie bekijkt, en precies daardoor een scherpte en navrante diepgang meegeeft die Maisie zelf, als kind, niet hebben kan. Maar niet een verteller die, vanuit een volwassen meta-perspectief, alles verklaart en boven Maisies kinderlijke blik uitstijgt. En daardoor krijgen we alles voorgeschoteld vanuit een perspectief dat, ongelofelijk maar waar, zowel naïef- kinderlijk is als ironisch.
Over Ida, Maisies moeder, wordt bijvoorbeeld gezegd: "the lower the bosom was cut the more it was to be gathered she was wanted elsewhere". Maisie ziet het provocerend lage decolleté, verbaast zich erover, kan het als kind niet helemaal duiden, maar heeft wellicht toch het halfbewuste vermoeden dat Ida dit decolleté flirtend in de strijd gooit bij vele mannen. En dat kinderlijke weten, die kinderlijke blik, vermengt zich dan met de ironie van de verteller die, als volwassene, dit soort seksueel getinte zaken beter doorheeft en erom kan grijnzen. Hetzelfde dubbele perspectief speelt ook in, bijvoorbeeld, de volgende scene, waarin Maisie voor het eerst sinds lange tijd haar moeder weer aantreft en onverwacht door haar wordt omhelsd: " 'My own child', Ida murmured in a voice - a voice of sudden confused tenderness - that it seemed to her [= Maisie] she heard for the first time. She wavered but an instant, thrilled with the first direct appeal, as distinguished from the mere maternal pull, she had ever had from lips that, even in the old vociferous years, had always been sharp. The next moment she was on her mother's breast, where, amidst a wilderniss of trinkets, she felt as if she had suddenly been thrust, with a smash of glass, into a jeweller's shop-front, but only to be as suddenly ejected with a push".
Prachtig vind ik dat, die 'sudden confused' tenderness', waar Maisie niets van begrijpt en de verteller trouwens ook niet. En ik als lezer evenmin, want we hebben hier te maken met onbegrijpelijk, hysterisch gedrag. Maar nog prachtiger vind ik dat beeld van de "wildernis of trinkets", die, nadat Maisie ineens aan de met juwelen overdekte borsten gedrukt wordt, een geluid geeft als het brekend glas van een ruit van een juwelier. De verbazing van Maisie, en haar kinderlijke gevoeligheid voor de vreemdheid van dit soort geluid, mengt zich hier, naar mijn idee, heel fraai met de ironie van de verteller. En ook met het analytische overzicht dat die verteller heeft: eerder al heeft hij vaak verteld hoe Maisie verlangend kijkt naar taferelen van volwassen waar ze bij wil horen maar waar ze geen toegang toe heeft, of naar werelden van kennis die zij niet heeft omdat ook haar scholing wordt verwaarloosd, en daarvoor heeft hij dan het beeld gebruikt van Maisie die haar neus aandrukt tegen een "shop-window" of "shop-front" van een niet toegankelijke winkel. Ook daaraan herinnert hij ons, wellicht, door dit beeld van rinkelend glas.
We kijken dus steeds mee met Maisie, maar via de analyserende blik en de ironische interpretaties en analyses van een volwassen verteller. Daardoor begrijpen we als lezer meer dan Maisie begrijpt, en weten wij meer dan zij weet. Maar dat betekent, in mijn beleving, vooral dat wij nog beter begrijpen dan Maisie waarom zij niet begrijpt wat haar overkomt. Of, anders gezegd, dat wij, bewuster dan Maisie, weten dat zij wordt geconfronteerd met het ondoorgrondelijke, met voosheden en ondoorgrondelijkheden van de menselijke geest waarbij elk zogenaamd 'weten' met zijn mond vol tanden staat.
Maisie is een buitenstaander in haar eigen verhaal, omdat zij wel ongehoord veel ziet en doorziet, maar de kern uiteindelijk niet begrijpt. Haar ouders, stiefouders en surrogaatmoeder mrs. Wix zijn net zo goed buitenstaanders: raadsels voor elkaar, raadsels voor zichzelf. Ook de verteller is een buitenstaander: iemand met enorme artistieke sensitiviteit en ongehoorde gevoeligheid voor subtiele details en onbewuste signalen, iemand dus die, net als Maisie, "converts the faintest hints of life, the very pulses of air into revelations", maar die "revelations" leggen juist de raadsels bloot en lossen die raadsels niet op. Hij weet beter dan Maisie wat Maisie weet, maar hij is geen alwetende verteller die antwoord heeft op Maisies vragen. Wel laat hij, met enorm gevoel voor elk subtiel detail zien hoe allerlei raadselachtige grilligheden impact hebben op Maisie, en hoe Maisies desillusie steeds meer vorm krijgt in haar kinderlijke hoofd. Maar een oplossing voor die desillusie en die onbevredigende raadsels heeft de verteller ook niet: vandaar, in mijn beleving, de ironische distantie, en vandaar dat ik ook die verteller als een buitenstaander zie in een verhaal vol buitenstaanders. En ook de lezer blijft, in mijn beleving, buitenstaander: wij snappen meer dan Maisie, maar ook wij staan paf van haar verhaal, en ook wij snappen totaal niet wat haar overkomt en wat de ondoorgrondelijke personages om haar heen beweegt.
In mijn beleving is "What Maisie knew" dus een grotesk grillige farce die niettemin in een heel strakke vorm wordt opgediend, vanuit een perspectief dat tegelijk kinderlijk- naïef is en vol volwassen ironie. Dat alles krijgt zijn vorm in soms ongelofelijk ingewikkelde, maar meestal ook enorm subtiele en sensitieve zinnen, waarin alle ongrijpbare ambivalenties gepaste aandacht krijgen. Zo schetst James, op fenomenale wijze, een wereld vol onbegrijpelijke slechtheden en passies, en vol vermoorde kinderlijke onschuld. Een wereld bovendien die uitmondt in "death of a childhood", het einde van elke illusie, weten dat je niets weet.
Ik sta paf, zowel van de door James geschetste wereld als van het kunstenaarschap dat nodig was om mij die wereld te laten zien. En ik neem mij nogmaals voor om de komende jaren nog meer te lezen van die geniale Henry James.