Advertentie

Omdat ik de laatste tijd zo veel plezier had met diverse boeken van Peter Handke, was ik nieuwsgierig naar zijn romandebuut "De wespen". Veel recensenten vinden dat een onmogelijk steriel en saai boek, en zelf vond ik dat in het begin ook. Want het boek is volkomen plotloos, en beweegt zich van de ene ongrijpbaar vervreemdende zin na de andere, die nergens over lijkt te gaan. Maar al snel wende dat, en toen begon ik het heel fascinerend te vinden, en ook heel mooi in al zijn vreemdheid. Veel wat mij aanvankelijk vaag en abstract leek, vond ik later virtuoos; veel wat mij aanvankelijk abstract en steriel leek, vond ik bij nader inzien juist heel indringend.

Het boek draait om een naamloos "iemand", die soms vanuit het ik- perspectief vertelt maar vaak vanuit meer afstandelijk hij- perspectief, of als 'de verteller'. Wat en waarover hij vertelt is vaag, vreemd, ongrijpbaar, gefragmenteerd en duister. Een van zijn broers is mogelijk verdwenen, de andere mogelijk verdronken. De verteller zelf is blind geworden, zo wordt gezegd, al wordt ook ergens gesuggereerd dat dit een leugen is. Zijn moeder moet gestorven zijn, maar haar dood wordt alleen gesuggereerd door raadselachtige taalflarden als: "Op slag is de lucht van ijs geworden en heeft zijn moeder ingevroren". Vaag is er de suggestie van een oorlog, van een dronken en gewelddadige vader, van huiselijk geweld. Bij alles wat verteld wordt is bovendien onduidelijk of het een verzinsel is, of een vage droom, of een vage herinnering, of iets wat de verteller alleen van andere gehoord heeft, of alleen heeft gelezen in een lang vergeten boek. Even onduidelijk is waarom dit boek, vergeten als het is, de hoofdpersoon toch zo zou bespoken. Gesteld tenminste dat dit boek bestaat, wat volgens mij allerminst zeker is. Elke gebeurtenis in "De wespen" is dus een raadsel, dat tot ons komt via een verteller die niets meer begrijpt van zichzelf of de wereld en die een enorme kloof ervaart tussen hemzelf en wat hem gebeurt. En als lezer kun je niks anders doen dan meebewegen met dat raadsel, en je onderdompelen in alle vervreemding die de verteller je voorzet. Kortom: het boek is doorregen van vervreemding, en die vervreemding lijkt mij het kernthema van dit boek.

De totaal duistere status van de verteller en het vertelde, en het verlammende effect van zijn blindheid en van zijn vervreemding die al het vertrouwde onvertrouwd maakt, wordt door Handke vaak fraai verwoord. Bijvoorbeeld als volgt: "Hij denkt aan zichzelf als aan een ander; over wat hem overkomt, denkt hij, als het gebeurt, als over iets wat hem reeds lang geleden overkomen is; en over iets dat hem reeds lang geleden overkomen is, denkt hij bij tijd en wijle als over iets dat hem nog zal overkomen. Eens is hij blind geworden". Of als volgt: "Voor mezelf hoef ik mij niet te verstoppen, omdat ik mezelf niet kan zien; want ik ben blind, dat wil zeggen, mijn ogen zijn geen ogen, dat wil met andere woorden zeggen, ik ben niet". En, ook heel fraai: "Mijn vingers schrapen ruw over de muur. Veel gedachten komen boven; met niet een ervan spreken de trage gewrichten. Mijn schaduw krimpt in de muur van het huis. De bevelen van mijn hersenen stuiten op dove steen". Virtuoze zinnen, naar mijn smaak, die goed voelbaar maken dat de hoofdpersoon het contact met de werkelijkheid helemaal verloren is, en dat hij zich volkomen vervreemd voelt van de buitenwereld en van zijn binnenwereld.

Handke is ook in veel andere boeken nogal gefascineerd door dit soort vervreemding. We kennen volgens hem de werkelijkheid alleen via de taal en de conventies, maar taal en conventies zijn arbitrair, en objectieve kennis van de wereld of van een onveranderlijke werkelijkheid is ons niet gegeven. Het verband tussen de woorden en de dingen is poreus, alle vertrouwdheid die wij menen te voelen met onszelf en onze omgeving is een fragiele en hoogst voorlopige illusie. Zodra dat ons doordringt, ziet de wereld er ineens heel anders uit. Dat is vast de reden dat Handke alle conventies van "normale" literatuur doorbreekt, en ons niet de soort herkenbare beschrijvingen biedt die je van andere fictie mag verwachten. En dat is, in mijn beleving, vast ook wat de hoofdpersoon van "De wespen" ervaart: niet alleen omdat hij blind is geworden en dus niet langer op de vertrouwde manier kan waarnemen, maar ook omdat hij geen enkele greep meer heeft op zijn herinneringen. Die herinneringen zijn immers erg gefragmenteerd, en het is zoals gezegd zelfs heel onduidelijk in hoeverre het echt herinneringen zijn of verzinsels, van hemzelf of anderen. Maar ja, is dat voor ons wezenlijk anders? Misschien wil Handke wel suggereren van niet: misschien wil hij wel zeggen dat wij allemaal zo blind en zo dolend zijn als zijn naamloze hoofdpersoon, ook al weten we dat zelf niet. Ook wij kunnen alleen maar zien doordat onze taal en onze conventies ons een bepaalde bril opzetten, ook onze herinneringen zijn vaak onvolledig en bovendien stevig beïnvloed door verhalen en perspectieven van anderen. Alleen, wij gaan daar meestal rustig aan voorbij, en de blinde hoofdpersoon van "De wespen" niet. Aldus Handke, als ik hem goed begrijp.

Zo geïnterpreteerd beschrijft "De wespen" dus een soort verblinding en vervreemding die ook de onze is. Of, wellicht, een vorm van traumatische verdringing: mogelijk wil de hoofdpersoon zich sommige gebeurtenissen niet meer herinneren vanwege hun al te pijnlijke en confronterende karakter, terwijl hij die gebeurtenissen ook niet zomaar kan vergeten omdat ze daarvoor te veel impact hebben. Die verdringing meen ik te herkennen in de even verhullende als onthullende zinnen over de dood van de moeder. En in de wijze waarop de dood van een van de broers steeds weer omcirkeld wordt in steeds weer een andere hoogst gefragmenteerde en vage herinnering, zonder dat die dood ooit helder wordt beschreven. Ik ben kortom erg geneigd om verdringing en vervreemding als kernthema's van "De wespen" te zien. Waarbij vervreemding volgens mij wel het belangrijkste thema is van deze twee.

Maar tegelijk gaat deze roman, volgens mij, vooral ook over nieuwe manieren om de werkelijkheid te ervaren. De blinde hoofdpersoon geeft namelijk ellenlange beschrijvingen van hoe de wereld tot hem komt via geuren en geluiden die wij, als brave burgermannen met redelijk helder zicht, totaal niet ervaren. En die beschrijvingen zijn soms erg poëtisch, onder meer in allerlei lange opsommingen waarin de dingen op wel heel originele wijze worden gekoppeld aan onverwachte geuren, kleuren en geluiden. Hij beschrijft minutieus alle subtiele bewegingen en sub-bewegingen die nodig zijn om te kunnen fietsen: iets wat ons, omdat fietsen ons zo vertrouwd is, volkomen ontgaat. Ook andere volstrekt alledaagse handelingen, bewegingen en fenomenen beschrijft hij met enorme gedetailleerdheid, juist omdat hij zijn routinematige blik is verloren en naar nieuwe perspectieven op het alledaagse zoekt. En juist die gedetailleerdheid geeft in mijn beleving een poëtische glans aan het alledaagse die er in het dagelijks leven niet is. Hij beschrijft ook behoorlijk buitenissige visuele taferelen, die hij zelf niet kan zien maar die hij zich verbeeldt, met een door blindheid in beweging gezette verbeeldingskracht die geheel anders is dan onze routineuze blik. Hij komt, juist omdat hij depersonaliseert, tot intens nieuwe ervaringen en waarnemingen: "[O]mdat ik mezelf heb vergeten doordat er van buiten niets meer tot mij doordringt en voor mij op die wijze bepaalt waar mijn lichaam zich ophoudt en omdat geen geluid mij meer vasthoudt, jagen mijn gedachten mij in een niemandsland rond; het zijn niet gedachten waar ik zelf op kom, maar gedachten die voor mij bedacht worden. Ik zie plaatsen en gezichtspunten door mij gaan die ik nog nooit heb gezien; de zwarte schillen van een banaan op een stoffige akkerweg bevreemden mij; ik verbaas me over de vergeelde vezels aan de binnenkant van de schillen en over de op dezelfde plek fladderende schaduw van een witgebuikte vogel". En in een droom heeft hij zelfs de sensatie dat de grens tussen hem en de wereld wegvalt, omdat de conventionele waarneming wegvalt: "[W]at ik zag, zag ik niet door het oog, maar door het trillen van de levenloze dingen zelf, die ik niet meer als anders en van mij verwijderd ervoer, omdat ze, alleen doordat ik ze zag mijn aderen openritsten […]". Bovendien, als lezer word je in elke zin ondergedompeld in vele raadselen, en steeds geconfronteerd met beelden en perspectieven die je in andere fictie maar weinig ziet: Handkes hoofdpersoon wordt, door zijn blindheid en gefragmenteerde herinnering, gedwongen tot anders kijken, maar ook Handkes lezers worden gedwongen (of: geïnspireerd) tot anders lezen. Want elke zin van Handke is vol van ondoorgrondelijke en onbestemde openheid, en vaak zelfs van virtuoze vreemdheid op de rand van het onbegrijpelijke. En dat valt volgens mij alleen lekker bij lezers die ervan genieten als ze niet precies weten wat ze zien.

"De wespen" is, in mijn beleving, een pregnant geschreven roman over vervreemding en verdringing, over een soort blindheid en fragmentatie van herinnering die mij behoorlijk fascineerde. Maar het is naar mijn smaak vooral ook een roman over nieuwe manieren van zien, over het openen van nieuwe poëtische perspectieven, die ontstaan als de vertrouwde perspectieven zijn afgebroken. Of, anders gezegd:over hoe een blinde, zodra hij beseft dat hij blind is, op andere wijze zijn ogen opent. Het is bovendien een roman die zoekt naar nieuwe vormen van verbeeldingskracht, waarin met de normale conventies - de normale manieren om de wereld via boeken te laten zien- wordt gebroken. Voor veel mensen zal het te cerebraal of te steriel zijn, of gewoon te onbegrijpelijk, maar ik ben heel tevreden. En met Handke ben ik nog lang niet klaar.

Reacties op: Het fascinerend vervreemdende romandebuut van Peter Handke

2
De wespen - Peter Handke
Jouw boekenplank Jouw waardering
Jouw recensie   Schrijf een recensie
? Onze partners
E-book prijsvergelijker