Lezersrecensie
Het separatisme van de humanist (Marguerite Duras, De Minnaar)
Best openhartige hoofdpersoon met beste aparte voorkeuren en neigingen, zegt ten tijde van het Frans kolonialisme in Vietnam iets belangrijks dat een thuisblijver zoals ik niet alleen kon bedenken: “Het gaat er niet om iets te bereiken, maar om ergens weg te komen” (25). Ik neem die uitspraak als adagium van de humanist in tijden van post-humanisme. Want waar het post-humanisme alleen verschillen huldigt binnen hetzelfde dat is bereikt, zouden we het antwoord van de humanist kunnen definiëren als de huldiging van radicale verschilligheid, die het pas mogelijk maakt uit het huidige tijdgewricht weg te komen: “Ze was niet langer een onbarmhartig, fataal gegeven van de natuur. Mijn gestalte werd juist een tegendraadse keuze van de natuur, een keuze van de geest. Plotseling werd ze begerenswaardig. Plotseling zag ik mezelf als een ander, zoals een ander gezien zou worden, buiten mezelf, binnen het bereik van iedereen, binnen het bereik van alle blikken, in omloop gebracht voor steden, wegen, begeerte…” (18).
Dit is mooi gezegd en inspirerend voor de humanist, maar bij die tegendraadsheid van de geest gaat het in eerste instantie niet om een separatie tussen twee blikken, twee mensen. Twee blikken kunnen met elkaar verstrengeld raken als minnaars, en blijven toch omgeven door het verschil tussen het geheel waarin zij als minnaars opgaan en de toevalligheid van de historische gebeurtenis en situationele omstandigheden die hen bij elkaar brengt. Hoe onmerkbaar dat verschil ook is voor de post-humanist die opgaat in de verstrengeling, ze is het evenement die is losgeraakt uit het geheel van de Wereld en een nieuwe Wereld constitueert.
Interessant genoeg ziet de hoofdpersoon in kleding de reddingsboei om haar tegendraadse separatie te operationaliseren: “Ik neem de hoed, ik doe er geen afstand meer van, dit is wat ik heb, deze hoed die me helemaal in zijn eentje maakt tot wat ik ben, en ik zet hem niet meer af. Met de schoenen moet het een beetje hetzelfde zijn geweest, maar pas na de hoed. Ze zijn in tegenspraak met de hoed, zoals de hoed in tegenspraak is met het spichtige lichaam, en daarom passen ze bij mij. Ook de schoenen doe ik niet meer uit, ik draag ze overal naartoe, de schoenen en de hoed, buiten, bij ieder weertype, bij iedere gelegenheid, ik ga ermee naar de stad” (18).
De hoed verwijst niet naar een homunculus – het mannetje met een hoed op die het ontzielde lichaam betreedt - maar naar de materialiteit van dingen zoals een hoed of naaldhak (of wat je filosofisch aarde kunt noemen) die co-constitutief is voor jouw gesepareerde bestaan in de Wereld, en jouw volledige verstrengeling met de wereld belet. In tegenstelling tot eerder werk zeg ik niet ‘constitutief’ maar ‘co-constitutief’, want de functie van de hoed voor de hoofdpersoon van De Minnaar verleidt tot een nadere bezinning op de rol van de ‘keuze van de geest’, de rol van het humane voorbij homunculus en voorbij post-humanisme. Het schrijven over dit onderwerp is de eerste en laatste opgave van filosofie en literatuur in ons tijdsgewricht. (meer blogs over literatuur en filosofie, zie https://vincentblok.wordpress.com/)