Lezersrecensie
Intimiteit en Extimiteit van het ware zelf (Rachel Cusk, De tweede plaats)
De tweede plaats van Rachel Cusk gaat over een vrouw die een kunstenaar uitnodigt op haar buitenverblijf om in samenspraak met zijn werk haar ware zelf te vinden. Nu kun je de roman lezen als een psychologisch drama over de onmogelijkheid om intimiteit te bereiken in intermenselijke relaties. Je kunt hem ook lezen als poging om juist aandacht te vragen voor de extimiteit van het menselijk bestaan.
Dit blijkt al aan het begin van de roman, waarin de hoofdpersoon – M – zegt interesse te hebben in het bestaan van de dingen voordat wij er kennis van hebben. Op het eerste gezicht is dit een vreemde gedachte, want de dingen tonen zich toch alleen in de relatie die wij ermee aanknopen. Alle kennis is kennis van een correlatie tussen mij en de dingen, en toch vraagt M aandacht voor het niet gecorreleerde. In eerste instantie heeft ze het daarbij niet over zichzelf maar over de wereld: “Ons landschap is een van die raadselen waartoe mensen zich aangetrokken voelen, maar waar ze uiteindelijk helemaal niets van begrijpen. Het is heel troosteloos en troostrijk en geheimzinnig, en tot nu toe heeft het zijn geheim nog aan niemand prijsgegeven” (20). Haar ervaring is niet dat intimiteit met dit landschap niet lukt, maar juist dat die intimiteit altijd al is gelukt: “Ze proberen het natuurlijk altijd te schilderen, maar wat ze uiteindelijk schilderen is wat er in hun gedachten zit” (20). Je draagt de intimiteit met de dingen altijd al met je mee, die je de toegang tot het bestaan van de dingen voordat wij er kennis van hebben ontzegt.
De roman draait precies om dit probleem, waarbij de personages verschillende posities innemen in de discussie die zich ontspint. De geliefde van de hoofdpersoon accepteert de intimiteit met de dingen en verzoent zich met zijn lot, terwijl de kunstenaar – L – juist opteert voor een houding van extimiteit: “Ik blijf liever buiten, zoals kinderen op een zomeravond buiten blijven en niet binnen willen komen als ze geroepen worden. Ik wil niet naar binnen” (107). In de roman blijkt dat extimiteit voor de kunstenaar bestaat in de destructie van elke intimiteit: “L verzette zich tegen de werkelijkheid en probeerde voortdurend zich te bevrijden van de beperkingen ervan, wat betekende dat hij zichzelf nergens verantwoordelijk voor achtte” (157). Terwijl de hoofdpersoon zich aangetrokken voelt door de extimiteit van de kunstenaar, ervaart ze tegelijkertijd dat zijn leugenachtigheid en kwaadaardigheid alleen maar leidt tot destructie van zichzelf en anderen, en kan ze geen afscheid nemen van haar eigen verlangen naar intimiteit.
Misschien had de hoofdpersoon zich moeten realiseren dat we intimiteit helemaal niet hoeven uit te spelen tegen extimiteit om ons ware zelf te vinden, omdat we altijd al getekend zijn door de intimiteit met de wereld waarin we thuis zijn en door de extimiteit van de aarde die we ontegenzeggelijk en op ongekende wijze belichamen. (meer blogs over literatuur en filosofie: https://vincentblok.wordpress.com/)