Lezersrecensie

Pas op de plaats


Henri Osewoudt Henri Osewoudt
28 mrt 2021

Laat na zijn dood eerst de necrologieën en daarna de literatuurgeschiedenis maar uitmaken of Stephen King al dan niet te lang is doorgegaan. Ik lees zijn boeken, hoewel met wisselend plezier, nog altijd met belangstelling. En dat is meer dan ik van John Grisham, Val McDermid, Ian Rankin, Harlan Coben, Lee Child, etc. etc. (deze lijst zou desgewenst vele pagina’s kunnen omvatten) kan zeggen. De laatste paar titels wekten echter wel de indruk dat King zijn mojo die hij aan het begin van de jaren tien had teruggekregen, na hem in de jaren negentig te zijn kwijtgeraakt, weer wat aan het verliezen was. Gwendys knopenkist was een aardige maar niet bijster ingenieuze variatie op een verhaal van Richard Matheson, De Buitenstaander was een moeizaam en grotendeels mislukt boek en Het Instituut was oké, maar vreemd gestructureerd en miste urgentie en geloofwaardigheid omdat het verhaal niet goed leek te passen in deze tijd van internet en social media (wat verscheidene karakters in het verhaal zelf ook opmerkten – je vraagt je af waarom King, meeliftend op de Stranger Things nostalgie, zijn boeken niet in de jaren zeventig en tachtig situeert).

Als het bloedt is een novellebundel. Een lastig format, zo op het eerste gezicht tussen het tafellaken van de verhalenbundel en het servet van de roman in (als ik King nog eens gelijk mag stellen aan een rockband (een vergelijking die hem wel zou bevallen vermoed ik) dan zou dit dus een ep zijn), maar wel een die King historisch gezien goed ligt. Bij niet of nauwelijks-lezers berust zijn faam waarschijnlijk grotendeels op Different Seasons (vanwege de diverse verfilmingen) en in duistere tijden waren Four Past Midnight en (in mindere mate) Hearts in Atlantis hoopvolle tekenen dat King nog niet afgeschreven hoefde te worden. Dat niveau haalt Als het bloedt zeker niet, maar er wordt vernuftig gevarieerd op bekende verhaalstructuren dan wel voortgeborduurd op vaste thema’s, zodat iedere Kinglezer wel iets van zijn gading in deze bundel zal vinden.

Het titelverhaal is ofwel een rechtstreeks vervolg op, ofwel een radicale herbewerking van ofwel een verontschuldiging voor het stuurloze The Outsider. Holly Gibney mag nogmaals de confrontatie aangaan met een shapeshifter. Het resultaat is een aanmerkelijk doelgerichtere vertelling, maar dat verandert weinig aan het gevoel dat het onderliggende idee niet veel meer om het lijf heeft dan een losse aflevering van The X Files anno pakweg 1993. En als je je als schrijver genoodzaakt ziet een van je personages (weer) te laten opmerken dat het internet de premisse van het verhaal nogal onderuit haalt, mag je er gerust van uitgaan dat dit ook zijn weerslag heeft op de bereidheid tot opschorting van het ongeloof bij de lezer. Een retrosetting en wat lichtere toets zou dit verhaal mogelijk ten goede komen, maar eerlijk gezegd hoop ik toch tamelijk vurig dat King dit thema nu uit zijn systeem heeft geschreven en het kan laten rusten.

Het openingsverhaal is dan op het eerste gezicht wel onmiskenbaar geworteld in het hier en nu. Een mobiele telefoon gaat met zijn eigenaar mee het graf in, maar dat blijkt nog niet het onherroepelijke einde van de communicatie te zijn. De tijd dat King in het voorwoord van Cell optekende dat hij zelf geen mobieltje gebruikte ligt inmiddels ver achter ons, maar afgezien van de moderne apparaten voegt King niets toe aan het stokoude boodschap-van-gene-zijde template dat ten grondslag ligt aan dit verhaal. Het digitale tijdperk heeft misschien nieuwe horrorverhalen nodig, maar Stephen King zal deze niet schrijven (en dat zou ook wel veel gevraagd zijn van deze boomer). De bedaarde ga-er-maar-eens-goed-voor-zitten-dan-zal-ik-je-een-verhaal-vertellen toon werkt echter wonderwel en maakt het zonder twijfel tot het sterkste verhaal van de bundel. Enige minpunt is dat King het blijkbaar niet gewoon kan hebben over een telefoon, tablet of computer, maar aanhoudend Apple producten moet noemen. Of hij gecompenseerd wordt voor deze dienst weet ik niet, interesseert mij ook niet, maar het roept bij mij herinneringen op aan de Bob Eversserie waarin voortdurend de Encyclopedia Brittanica werd nageslagen, kratten London Tonic werden leeg gelurkt en de Droste pastilles met dozen tegelijk soldaat werden gemaakt. Die boeken waren geschreven in de jaren vijftig, ik was tien toen ik ze las en toen stoorde het mij al.

Met het tweede verhaal hijst King zijn experimentele vlag. Het is het equivalent van een George Harrison song op een Beatlesalbum: je vraagt je onwillekeurig toch af hoe je het zou bejegenen buiten zijn context om. Het is een drieluik, in omgekeerde volgorde verteld waarbij het tamelijk impressionistische eerste stuk zelfs een flauwe associatie met De aantekeningen van Malte Laurids Brigge van Rilke oproept. Veeleer curieus of interessant dan geslaagd, zal het minder avontuurlijk aangelegde deel van de fans zich er waarschijnlijk slechts met lange tanden en frisse tegenzin doorheen weten te bijten. Deze groep wordt dan echter weer op zijn wenken bediend met het laatste verhaal. Iets met een bezeten schrijver, en een wens die verhoord wordt, maar waarvoor wel een prijs betaald dient te worden. Enfin, het idee is zo afgekloven dat de personages daar zelf uitbundig de spot mee drijven, maar de uitwerking is vakkundig (hoewel wat wijdlopig) en het leest vlot weg. Toon en setting zijn hier helemaal top.

Al met al een aardige, zij het wat gespleten bundel waarbij de ook aanwezige andere (niet eens noodzakelijkerwijs nieuwe) geluiden ( ) krachtig overstemd worden door het oude vertrouwde. Het is aan de lezer om te bepalen of tussen de haakjes hierboven helaas, gelukkig of helemaal niets moet komen te staan.

Reacties

Meer recensies van Henri Osewoudt

Boeken van dezelfde auteur