Lezersrecensie
Terug naar Nieuwegein
Op het midden van zijn levenspad aangekomen vindt een man, een schrijver, zichzelf enigszins tegen wil en dank, terug in Nieuwegein. De plek waar hij niet geboren wel getogen is en die hij als negentienjarige verruilde voor Groningen, omdat deze stad van alle universiteitssteden het verst van Nieuwegein verwijderd is. De schrijver gebruikt voor deze verhuizing zelfs de term ontvluchten. Dit duidt op een niet bijster gelukkige jeugd, maar voor een voorstelling van een cabaretier die hij ‘hoog heeft zitten’ is de schrijver best bereid terug te keren naar Nieuwegein. Zo diep zit het leed dus nou ook weer niet. Het theater staat op een voor de schrijver bekende plek, maar hij slaagt er niet in de locatie van zijn oude school te bepalen. Pas in de pauze van de voorstelling begrijpt hij hoe het zit: het theater is gebouwd precies op de plek waar de school stond. Dit leidt tot het besef dat je je als schrijver weliswaar uit Nieuwegein kunt verwijderen, maar Nieuwegein niet uit de schrijver kunt halen. Hij besluit daarom terug te keren naar Nieuwegein, het Nieuwegein van zijn herinneringen, om een papieren monument op te richten tegen de vergankelijkheid en als dat omkijken ertoe leidt dat hij zijn heden beter begrijpt dan zou dat een welkom bijeffect zijn.
Het oprichten van dat papieren monument geschiedt met bouwstenen als deze: ‘Van ons nieuwe huis was het verder fietsen naar de Montessorischool. Eerst naar Fokkesteeg-Noord, dan door het park, dan over de brug over het water, dan een scherpe bocht naar rechts en je was er. Je kon ook, in plaats van door het park, langs het zwembad, over het grote parkeerplein dat een paar keer per jaar tot kermisterrein metamorfoseerde, maar dat duidelijk om. Dat deed ik soms, om eens iets anders te doen…’ Zowel stilistisch als thematisch ligt er reeds veel besloten in deze tamelijk willekeurig gekozen zinnen. De routebeschrijving die meer route dan beschrijving is, het woord ‘metamorfoseerde’ dat duidelijk niet tot het vocabulaire van een scholier, ook niet van de Montessori, behoort en de eenling die uit verveling of om andere redenen die niet helemaal duidelijk worden, omwegen neemt.
De schrijver heeft zich dan al laten kennen als iemand ‘moe van mijn eigen manie om overal lijstjes van bij te houden, alles in statistieken te willen vangen’. Ook heeft hij op zijn negenendertigste veertien jaar geleden zijn laatste ‘min of meer reguliere’ baan gehad en bevindt hij zich naar eigen zeggen buiten de gangbare maatschappelijke perken. Dat eigengereide zat er al vroeg in. Zijn zevenjarige zelf omschrijft de schrijver als bedachtzaam, beschouwelijk en weinig rouwdouwerig van aard. Zo bedachtzaam en beschouwelijk dat op prille leeftijd reeds het besef indaalt dat alles wat leeft ooit zal sterven, wat hem zeer verdriet en zelfs angst inboezemt. Als echter een klasgenootje door een vrachtwagen wordt overreden, reageert hij zo koel en rationeel dat het zelfs leeftijdgenootjes bevreemdt. Maar waarom zou hij krokodillentranen vergieten om iemand die hij maar nauwelijks kende?
Deze norsige, afgemeten stijl zorgt er in ieder geval voor dat ‘Wat je zaait’ vlot wegleest. Donkers is wars van uitgebreide beschrijvingen en psychologiseren, althans, gevoelens worden beschreven als feiten. De grondtoon is er een van zo zit ik nu eenmaal in elkaar en accepteer dat nou maar gewoon. Dat is echter niet hoe de wereld werkt voor adolescenten, ook niet in de jaren tachtig, dus de sfeer wordt er zowel thuis als op school niet beter op. Ook met de wijsheid achteraf weet de schrijver niet helemaal te duiden of het nu een kwestie van niet kunnen of van niet willen is geweest. Het betere begrip van het heden blijft daardoor een loze belofte. De verteller zit opgesloten in zijn eigen hoofd, kan of wil zich niet aanpassen maar lijkt dat zelf niet als een probleem te ervaren. Goed voor hem, maar hierdoor krijgen overige personages te weinig relief om interessant te worden. En omdat de inwendig opgestoken middelvinger zich slechts uit in verzet van het meest lijdzame soort, blijft ook het conflict uit. Als zijn vader hem het huis uitzet omdat hij de sfeer wel lang genoeg heeft verziekt, tekent hij op: ‘Over dat laatste viel te twisten, maar dat was niets voor mij.’ Tja, zo blijft onze Bartelby in de dop gewoon een dwarse, nukkige tiener die het allemaal zo slecht niet bedoelt, maar vooral zijn eigen ding wil doen, het verder wel best vindt en daarover niet aan zijn kop gezeken wenst te worden.
Tot zover het grote onbehagen dat deze vertelling moet schragen en voortstuwen. Voor de meeste lezers zal dit toch scherpte en urgentie ontberen en wat te particulier van aard zijn. Er is verder nog wat voorspelbaar gedoe met meisjes en leeftijdsgenoten en een wat zeurderige obsessie met baantjes en het geld dat die opleveren en de spulletjes die daarvoor gekocht kunnen worden. Voor de liefhebber wordt er nog een aardig tijdsbeeld van de jaren tachtig en vroege jaren negentig geschetst (met de Neckerman postordergids, de eerste spelcomputers en de petjesrage).
Op de laatste bladzijden krijgt de vlucht uit Nieuwegein zijn beslag. De verteller zit met zijn vriendin in Groningen en maakt zich op voor een studie bedrijfskunde. Dapper probeert hij zichzelf wijs te maken dat dit zomaar een frisse start zou kunnen zijn, ‘… bedrijfskunde, ik word rijk, o ik geloofde het echt, bijna,’ maar de verwijzingen eerder in de roman naar wat er zoal is geoogst in de jaren daarop volgend, rechtvaardigen de conclusie dat het toch allemaal niet aan Nieuwegein kan hebben gelegen.