Lezersrecensie
Verbeelding versus verklaringsdwang
Dit is niet voor het eerst dat de geest van David Lynch in Friesland wordt gesignaleerd. Bij Renger van Nyk de Vries berustte die claim volledig op wensdenken of (al dan niet moedwillig) misverstand, op het achterplat van Was van Jilt Jorritsma is de vergelijking beter op zijn plaats. Jorritsma weet althans in het begin van zijn roman met beschrijvingen van pus dat in de mondholte loopt en kaakbeen dat doorbroken moet worden om dat pus weer af te zuigen, een soortgelijke, welhaast fysieke reactie op te roepen als Lynch wanneer hij inzoomt op een afgesneden oor. Nu wordt Lynch er al gauw bijgehaald als een schrijver zich niet heel strikt bedient van rechttoe rechtaan realisme, maar ook bij Jorritsma tref ik voor het overige weinig aan wat voor Lynchiaans zou kunnen doorgaan. Een vergelijking met Charlie Kaufman (scenarioschrijver van films als Being John Malkovich en Eternal Sunshine of the Spotless Mind) minus de humor, lijkt mij meer op zijn plaats. Voor de rest valt op dat er op het achterplat niet aan schrijvers of andere boeken (met uitzondering van de gebroeders Grimm) wordt gerefereerd, maar aan recente series als Westworld en Black Mirror. Ik weet niet of men daarbij de suggestie probeert te wekken dat ‘Was’ voornamelijk geschikt is voor fervente televisiekijkers die nooit een boek lezen, of dat het zo’n uniek verhaal vertelt dat het onvergelijkbaar is met andere boeken. Beide lijken mij onzinnig. Hoewel vlot leesbaar en bij vlagen beeldend geschreven, is Was met zijn essayistische terzijdes en filosofische bespiegelingen bepaald andere kost dan een bingefest bij een streamingsdienst. Anderzijds hoeven we in de Nederlandstalige letteren niet terug tot Belcampo en Hubert Lampo om schrijvers te vinden die zo niet in hetzelfde straatje passen als Jorritsma, dan toch dicht in zijn buurt, op het snijvlak van realisme en fantasy/science fiction (de zogeheten slipstream), opereren: Bertram Koeleman en Rob van Essen om er maar twee te noemen. Wie nog wat verder kijkt, zal moeten constateren dat Was zich bedient van tropes die ruim twintig jaar geleden mainstream gingen met de Matrix, maar daarvoor al decennia lang zo’n beetje het handelsmerk waren van Philip K. Dick (iemand die ze bij Lebowski toch ook moeten kennen zou je zeggen). En voor wie nog een stap verder wil gaan kan ‘Was’ lezen als een herbewerking van een verhaal van Borges (‘De ronde ruines’ om precies te zijn)..
Dit is niet per se een diskwalificatie overigens, er valt iets voor te zeggen dat deze thematiek alleen maar aan actualiteit wint. Met name het eerste deel is sterk: hoofdpersonage Wyrd heeft een verstandskies die niet kan bestaan op een plek waar hij niet hoort te zitten (een gegeven dat ik overigens kende uit The Dark Half van Stephen King) en het ongemak dat daarmee gepaard gaat weet Jorritsma in sterke, tot bijna wegkijken nopende scenes te beschrijven. Het kraken van de muis van de kaakchirurg is een voorecho van het geluid waarmee de kaak van Wyrd gebroken wordt om het pus weg te zuigen. Door elementen als kunstmatige intelligentie, dark patterns en dementie weet Jorritsma subtiel de suggestie te wekken dat de realiteit die wordt geschetst, misschien toch niet zo vast en onwrikbaar is als hij lijkt. Een mooie hommage aan/verwijzing naar Philip K. Dick toont niet alleen aan dat Jorritsma zich wel degelijk bewust is van de traditie waarin hij opereert, maar draagt ook bij aan het sluimerende gevoel van irrealiteit en zegt bovendien iets over de verhouding tussen belangrijke personages.
In het tweede deel besluit Wyrd na het overlijden van zijn demente moeder op zoek te gaan naar zijn vader die hij nooit heeft gekend. Zijn speurtocht brengt hem naar de Boarn, een geïsoleerd uithoek, waar een oude man zich over hem ontfermt. De wending naar het surrealisme die het verhaal hier neemt, is te abrupt, temeer daar Wyrd de weirdness (sorry) zo gelaten als realiteit aanvaardt. Jorritsma bedient zich in ‘Was’ van wat in de Turkey City Lexicon als de ‘ontological riff’ wordt bestempeld: een mechanisme dat fundamentele, diepgewortelde aannames of overtuigingen betreffende realiteit, ruimtetijd en bewustzijn in twijfel trekt. De schrijver moet hiertoe een illusie optuigen die voor lezers en personages geloofwaardig voelt, zonder dat zij bij de onthulling ervan onnozel lijken of zich in de maling voelen genomen. Ga er maar aanstaan, zeker nu het cultuurgoed van Philip K. Dick al decennia geleden is verzonken tot Hollywoodfilms en de tv-series. Jorritsma slaagt hier dan ook niet in, hoewel dit misschien ook een onmogelijke missie was. Het valt te prijzen dat hij, in tegenstelling tot David Lynch, het mysterie wil verklaren, maar zijn verklaring voelt lomp en geforceerd aan. Niet iets wat organisch in de vertelling is verweven, maar een knellend verband dat pas naderhand aan het materiaal is opgelegd. Je krijgt het gevoel dat de Jorritsma de schrijver in zichzelf de vrije vlucht heeft laten nemen, waarop de wetenschapper in hem het resultaat danig heeft gekortwiekt door het van onderbouwing te voorzien en in een logisch verband te wringen.
Lezers zullen Was in de huidige vorm allicht al behoorlijk vaag vinden, maar naar mijn mening zou een opener en suggestievere benadering de roman ten goede komen. Niettemin weet Jorritsma bij vlagen sfeer te scheppen en mysterie op te roepen en dit maakt zijn boek binnen de huidige Nederlandse letteren een verschijning die de moeite van het opmerken ruimschoots waard is.