Lezersrecensie

Waarvoor vlucht de chauffeur?


Henri Osewoudt Henri Osewoudt
23 mrt 2022

De vluchtautochauffeur ontsnapt over het algemeen aan de aandacht van de vertellers van misdaadverhalen. Als onmisbaar onderdeel van het team wordt hij in het subgenre van de heistmovie/thriller genadeloos veroordeeld tot een bijrol. Ofwel die van superieure buitenstaander, een soort idiot savant met zuigers in zijn borstkas die benzine door zijn bloedleidingen pompen, ofwel die van sneue buitenstaander, een schlemiel die nog net een stuurwiel maar zeker geen vuurwapen wordt toevertrouwd. De morele ambiguïteit die dit met zich meebrengt kan thematisch interessant zijn, maar in al mijn jaren als thrillerlezer ben ik er maar een tegengekomen die over een vluchtautochauffeur ging: Drive van James Sallis (verfilmd door Nicolas Refn). Thematisch en qua taalgebruik even uitgebeend als de titel suggereert (‘I drive. That’s all.’). Sallis schreef nog een vervolg en er is natuurlijk het onzinnige vermaak van films als Baby Driver, maar het lijkt dus alsof S.A. Cosby met ‘Een laatste uitweg’ (vertaling van Blacktop Wasteland) een nog vrijwel uitgestorven weg voor zich heeft liggen.

Een laatste uitweg gaat namelijk over Beauregard ‘Bug’ Montage. Thans goudeerlijke monteur, liefhebbende echtgenoot en hardwerkende vader, maar in een vorig leven vluchtautobestuurder (ik hier parafraseer de achterflap). S.A. Cosby is tevens een Afro-Amerikaanse auteur. Hier maakt bijna iedere recensie wel melding van en ook ik kan ik mij geen misdaadroman van een Afro-Amerikaanse schrijver heugen sinds ik in de jaren negentig Walter Mosley (de favoriete auteur van Bill Clinton) las. Of het schrijven en laten uitgeven van thrillers nu ook tot het veelbesproken witte privilege behoort laat ik graag in het midden, maar het is natuurlijk opmerkelijk dat het anno 2022 nog steeds bijzonder wordt gevonden dat een bepaalde stem zich in een genre laat horen. Enfin, Bug Montage heeft zich zonder veel kleerscheuren ontworsteld aan het criminele milieu, maar dan sleept zijn concurrent een groot contract in de wacht, dreigt zijn moeder uit het verpleeghuis te worden gezet wegens achterstallige betalingen, wil zijn dochter studeren en moet zijn zoon een beugel. Net op dat moment duikt Ronnie Sessions (zijn broer heet Reggie, wat een speelse verwijzing naar de Kray twins zou kunnen zijn. En de Engelse connectie gaat nog een stapje verder: bij een vorige klus hebben Ronnie en Bug samen een renpaard proberen te stelen, wat aan Dick Francis of aan John Hawkes kan refereren) op. Ronnie, de belichaming van de term white trash, stelt een laatste klus voor die aan al deze problemen een einde kan maken. De overval verloopt geheel volgens plan en tot en met dit moment leek S. A. Cosby een mooi eind onderweg om een bescheiden noir klassieker te schrijven. Helaas drukt hij vervolgens het gaspedaal door de bodem heen en worden de gebeurtenissen steeds toevalliger en onwaarschijnlijker. Tegen het einde bekruipt de lezer het gevoel dat hij uitgeschreven Fast and the Furious actiescenes voorgeschoteld krijgt.

Ook qua stijl weet Cosby geen maat te houden. De vergelijkingen doen eerst nog wel lekker overdreven pulpy aan, maar worden al heel snel zo overvloedig en zo vergezocht dat ze gaan tegenstaan. Bij een vrouw loopt ‘lang, koolzwart haar als een olievlek over haar rug naar haar middel’ (blz. 51). Een meubelstuk met een felrood en geel bloemenmotief ziet eruit ‘alsof er een clown op had gebraakt’ (blz. 88 – niet ongeestig; wel onzinnig). En als een corpulente vrouw uit bed komt, vallen ‘twee monumentale borsten als lawines over haar buik’ (blz. 285). Als Bug over een autosloperij loopt (blz. 112) gaat Cosby helemaal los: sloopauto’s zijn ‘de dode omhulsels van indrukwekkende, maar vergeten schepsel’, dakbekleding hangt erbij ‘als de wang van iemand die net een beroerte heeft gehad’, voorbumpers vertonen gaten ‘zo groot als de vuist van een offensive lineman’, roestvlekken bedekken motorkappen ‘als een of ander oxiderend eczeem’.

Een laatste uitweg is geschreven ter vermaak. Wie er lering uit wil trekken over de hedendaagse Afro-Amerikaanse ervaring is waarschijnlijk beter af bij Colson Whitehead et al, maar Cosby’s grotendeels impliciete behandeling van het racisme en de achterstelling waar Bug onvermijdelijk mee geconfronteerd wordt, is niettemin effectief. Wat ook helpt is dat hij niet vervalt in simplistisch dader-slachtoffersystematiek, maar veel ruimte laat voor grijstinten. Als een concurrerende garagehouder bijvoorbeeld verhaal komt halen nadat zijn zaak in brand is gestoken, bedient deze zich van zeer grievende bewoordingen. Bug laat dat uiteraard niet over zijn kant gaan en stelt orde op zaken, maar moet daarna wel onder ogen zien dat hij indirect misschien meer verantwoordelijkheid voor de brandstichting draagt dan hem lief is.

In het subsubsubgenre van de vluchtautobestuurderthriller stap ik vooralsnog liever in bij Sallis dan bij Cosby, maar als de laatste de verleiding van het holle filmische spektakel weet te weerstaan, de personages (hun psychologie en hun onderlinge relaties) het verhaalverloop meer laat dicteren en de rode pen ter hand neemt om meedogenloos te wieden in zijn potsierlijke stijlbloempjes, dan schrijft hij zonder meer een zekere winnaar.

Reacties

Meer recensies van Henri Osewoudt

Boeken van dezelfde auteur