Lezersrecensie
Pijnlijke verlangens, afgrondige jaloezie en de ultieme vreugden van de kunstzinnige blik
"De gevangene", deel 5 van het zevendelige "Op zoek naar de verloren tijd", is door Prousts ontijdige overlijden wat slechter geredigeerd dan veel andere delen. Diverse personages overlijden in soms schitterende scenes, en treden even later ineens weer op, en er zijn allerlei kleine inconsistenties en vergissingen. Maar mij maakte dat allemaal niks uit: ook dit deel heb ik weer vol vreugde en bewondering herlezen. En het is nog steeds misschien wel een van mijn favoriete delen van Prousts geniale cyclus, door de enorme intensiteit waarmee Proust schrijft over de bodemloze pijnen van Marcels liefde en de afgrondigheid van zijn jaloezie.
Aan het eind van "Sodom en Gomorra" besloot Marcel, in een vlaag van panische jaloezie, om te gaan samenleven met Albertine in het huis van zijn - overigens tijdelijk afwezige- ouders. Albertine is de gevangene die in de titel wordt genoemd: Marcel houdt haar dwangmatig in het oog, bewaakt haar als een obsessieve cipier, en laat anderen toezicht op haar houden als hij dat niet zelf kan doen. Alles om te voorkomen dat Albertine hem ontrouw zal zijn. Marcel echter is net zo goed een "gevangene", maar dan van het web van zijn eigen angsten en jaloerse aandriften. Want hij is bodemloos jaloers, uit bijna redeloze en - ook voor de lezer- enorm pijnlijke en nijpende verlatingsangst. Zijn oneindige analytische vermogen en ontembare verbeeldingskracht, die hem in staat stellen om zich hele werelden voor te stellen op basis van één minuscuul en verwaarloosbaar detail, zijn hier zijn vijanden: precies daardoor is hij namelijk in staat om zich allerlei taferelen voor te stellen waarin Albertine hem verlaat of ontrouw is. Of om honderden lagen van dubbele bodems waar te nemen onder elke uitspraak of oogopslag. Hij weet bovendien dat Albertine, zoals al zijn geliefden, niets meer is dan een beeld in zijn eigen hoofd, en dat de echte Albertine altijd aan zijn voorstellingsvermogen ontsnapt. Dat, gekoppeld aan zijn verlatingsangst - een angst die hem doet denken aan zijn in eerdere delen zo meeslepend beschreven angst als kind, dat zijn moeder hem niet zou komen troosten met een nachtzoen- maakt hem vaak volledig panisch. Marcel is een onuitstaanbare dwingeland, en hij weet dat ook, maar onder zijn compulsief dwingende angst schuilt de paniek van een uit verlatingsangst krijsend kind. Iets wat Proust echt magnifiek voelbaar maakt, naar mijn smaak.
Die paniek is des te groter geworden sinds Marcel vermoedt dat Albertine "Gomorreaanse" - wij zouden zeggen: lesbische- neigingen heeft, dus een wereld van liefdes en lusten voelt die hij zich niet goed kan voorstellen, wat betekent dat "de echte Albertine" nog meer aan zijn greep en voorstelling ontsnapt. Paradoxaal genoeg is de intensiteit van Marcels liefdesverlangen recht evenredig met zijn pijn: op momenten dat hij geen pijnlijke jaloezie en angst voelt is hij geheel onverschillig, is zijn liefde doodse gewoonte en sleur geworden, en alleen de pijnlijke jaloezie en angst verheffen het beeld van Albertine uit die sleetse sleur en onverschillige gewoonte. Verlangen is suïcidaal bij Proust, voedt zich met zijn eigen honger: zodra het bevredigd is sterft het en zijn ook de liefde en schoonheid dood, zolang die liefde en schoonheid nog leven is het verlangen onbevredigd en van verlatingsangst doorregen. Die verlatingsangst is voor Marcel ook nog eens veel te pijnlijk om direct uitgesproken te worden, of te riskant omdat ze aanleiding zouden kunnen zijn tot een directe breuk (waar hij paradoxaal genoeg tegelijk ook naar verlangt) en bovendien vol van ook voor hemzelf onbegrijpelijke elementen. Om die redenen spreekt hij tegen Albertine nooit direct over wat in hem leeft, maar alleen via leugens en ongelofelijk ingewikkelde omwegen van geveinsdheid. En ook dat is een paradox: elke keer dat hij leugens van Albertine meent te ontdekken voelt hij scheuten van intense pijn, maar ook hijzelf kan Albertine alleen beminnen via leugens en geveinsde gevoelens. Waarmee hij soms niet alleen Albertine, maar ook zichzelf misleidt. Zo stuurt hij bijvoorbeeld soms aan op een breuk, maar juist in de hoop dat Albertine bij hem blijft. Waarbij die gesimuleerde breuk tegelijk ook een soort snikkend vooruitlopen is op de breuk die onvermijdelijk ooit zal volgen, en zelfs op het onvermijdelijke afscheid van alle dingen. En ja, net op het moment dat hij even enige rust voelt, omdat hij denkt dat de gesimuleerde breuk ten minste enig uitstel op zou leveren van de onvermijdelijke breuk, en hij bovendien denkt dat Albertine hem inmiddels onverschillig begint te laten, blijkt Albertine te zijn gevlucht...… Paniek!!
Ongelofelijk, zoals Proust hier hele werelden voelbaar maakt van jaloezie, verlatingsangst en liefdespijn. En ook van de daarmee samenhangende bodemloze onzekerheid: "De werkelijkheid is altijd maar een uitgangspunt naar een onbekendheid waar wij niet erg in kunnen doordringen" , zo beseft Marcel. Sommige Proust-lezers vinden dat hij een te negatief beeld van de liefde geeft, dat te veel geënt is op jaloerse bezitsdrang, en dat Proust te weinig oog heeft voor het gegeven dat liefde voor beide partners ook een bevrijding kan zijn uit de cirkel van het eigen ik, en dat liefde ook de zelfontplooiing van beide partners enorm kan verrijken. Welnu, daar zit wat in. Maar aan de andere kant: ook ik, als innig tevreden getrouwde burgerman, voel soms een redeloos soort gekrenktheid, als van een in de steek gelaten kind, en een soort onmacht om te spreken en denken over die gekrenktheid of over verlatingsangst. Bovendien, voordat ik een innig tevreden getrouwde burgerman was voelde ik dat nog flink wat sterker. En ik geloof nooit dat ik daarin de enige ben. Kortom: Proust heeft vast niet alle aspecten van de liefde gevangen, maar de aspecten die hij wel vangt zijn volgens mij herkenbaar voor velen van ons, en worden door hem met werkelijk sublieme en volgens mij ongeëvenaarde intensiteit op papier gezet. Niet alleen door de eindeloze innerlijke monologen waarin Marcel, meanderend en peizend en alle grillige tegenstrijdigheden in zijn hoofd peilend, jammert over de paradoxen van zijn pijn en onzekerheid. Maar ook door de bijna pijnlijk lang uitgesponnen scene waarin Charlus, een flamboyante en aristocratische homoseksueel met een bovengemiddelde intelligentie en een enorme esthetische gevoeligheid, maar grotesk dwalend in de dwaalwegen van zijn zinloze passie, wordt beroofd van zijn zinloze liefde voor de violist Morel.
Uiterst imponerend wordt beschreven hoe juist Charlus, wiens enorme eloquentie en sardonische kwaadaardigheid in de vorige delen echt van de pagina's afspatten, totaal sprakeloos is na deze breuk en de geniepige intriges die daar de oorzaak van waren. Al even imponerend wordt beschreven hoe gevangen Charlus zat in een web van jaloezie, misleiding, averechts werkende passies en zelfbedrog. Ook voor hem is de werkelijkheid "maar een uitgangspunt naar een onbekendheid", net als voor Marcel. Als door de liefde bedrogene is hij een tragikomische clownsfiguur: aristocratisch maar overdadig bepoederd, zich jong wanend maar met doorgelopen make-up, hyperintelligent maar tegelijk bodemloos in zijn eigen brein verdwaald, genadeloos eloquent maar nu lachwekkend sprakeloos. Maar ook daarin is hij een evenbeeld van Marcel, die aan het eind van "De gevangene" immers net zo goed voor paal staat bij de ruïnes van zijn wereldbeeld. Naar mijn gevoel is Charlus zeker zo tragisch als Marcel, ook - of: juist- omdat hij in een web van illusies en bedrieglijke verlangens heeft geleefd. Naar mijn idee is hij daarin ook het evenbeeld van Marcel, die immers de gevangene is van zijn eigen jaloezie en angsten. In mijn beleving beschrijft Marcel de tragiek van Charlus dus zo uitgebreid omdat hij daarin zijn eigen tragiek herkent. Want zo tragisch en oerbelachelijk als Charlus' liefde voor Morel is, zo tragisch en oerbelachelijk is mogelijk ook Marcels liefde voor Albertine. Althans, dat lijkt de vrees van Marcel zelf.....Ik vind het echt meesterlijk hoe Proust hele werelden van averechtse passie voelbaar maakt, via de gepijnigde mijmeringen van zijn ik- figuur en door de prachtige beschrijvingen van de groteske liefdespijnen van Charlus. En even meesterlijk vind ik hoe Marcel zijn eigen pijn en ontoereikendheid lijkt te herkennen in die van Charlus.
"De gevangene" is kortom doordrenkt van pijn, desillusie en vergeefsheid. De liefde, die vooral in "In de schaduw van meisjes in bloei" nog vol belofte was, is totaal ontgoocheld, en op scenes vol vervoering uit "In de schaduw van meisjes in bloei" wordt nu in "De gevangene" teleurgesteld en gedesillusioneerd teruggekeken. En toch is de gevangene ook gevuld met jubel. Bijvoorbeeld in passages waarin Marcel beschrijft hoe hij, overdag liggend in bed en voor even ondergedompeld in rust, alle geluiden, geuren, kleuren, sferen en temperaturen van de buitenwereld ervaart. Wat hij bijvoorbeeld als volgt prachtig verwoordt: "Maar vooral in mijzelf hoorde ik verrukt een nieuwe toon opklinken van de innerlijke viool. Zijn snaren worden aangespannen of losgedraaid door een simpel verschil van temperatuur, van het licht buiten. In ons binnenste, een instrument dat verstomt bij de eenderheid van de sleur, wordt de zang uit die sprongen geboren, uit die variaties, bron van alle muziek: het weer op bepaalde dagen laat ons terstond van de ene noot overgaan op de andere […] Alleen die innerlijke verschuivingen, hoewel ontstaan door een uitwendige oorzaak, hernieuwden voor mij de buitenwereld. Al lang ongebruikt gelaten verbindingsdeuren gingen weer open in mijn hoofd". Door jaloezie en angst gepijnigd liefdesverlangen heeft bij Proust althans één voordeel: het opent nieuwe perspectieven op de wereld die zich tenminste onttrekken aan de grauwsluiers van sleur en gewoonte. Maar een andere, en belangrijkere "verbindingsdeur" is de ultieme vreugde van de esthetische ervaring: in dit geval de esthetische en aandachtige gevoeligheid voor de verborgen schoonheden van een winterse dag, en voor alle verschuivingen en gevoelsnuances die deze dag in het innerlijk teweeg kan brengen. Marcel kijkt naar zo'n dag als een schilder, en luistert als een musicus. Vandaar ook volgens mij die "innerlijke viool".
Die innerlijke viool klinkt nog wat krachtiger in Marcels ellenlange beschrijving van hoe hij volkomen omver geblazen wordt door herontdekte muziek van de grote componist Vinteuil. Dan ervaart hij zo ongeveer de zang der engelen, de evocatie van het verloren paradijs. Meer nog: die muziek evoceert de niet in woorden te vatten kern van de strikt individuele ziel, dat wat zich niet prijsgeeft in de door gewoonten en conventies beheerste perspectieven van alledag. Hij spreekt van "heel dat reële residu dat wij gedwongen zijn voor onszelf te houden, dat in gesprekken niet is over te brengen, zelfs niet van vriend tot vriend, van meester tot leerling, van minnaar tot minnares, dat onzegbare dat kwalitatief doet verschillen wat ieder heeft gevoeld en gedwongen is achterwege te laten bij het aanvangen van de volzinnen waarin hij met anderen alleen communiceren kan als hij zich beperkt tot uiterlijkheden die ons allen gemeen zijn en van geen belang zijn". Dat strikt individuele, met die unieke en dus aan taal en conventie ontstijgende pracht, wordt alleen "tevoorschijn gebracht door kunst […] die in de kleuren van het spectrum de innerlijke compositie veruitwendigt van die werelden die wij individuen noemen en die wij zonder de kunst nooit zouden kennen". Kunst, althans de anti-conventionele en impressionistische kunst waar Marcel van houdt, dus die van de ongrijpbare componist Vinteuil en de al even ongrijpbare en onconventionele schilder Elstir, ontrukt ons aan de algemeenheid en de ratio en schenkt ons het strikt singuliere. En daarmee een unieke en onherhaalbare pracht. Onze eigen ogen, gedomineerd door conventie en gewoonte, zien alleen wat iedereen kan zien; de ogen van de onconventionele kunstenaar zien het unieke dat alleen hij kan zien. Geen wonder dat Marcel zegt: "De enige werkelijke reis, de enige verjongingsbron, zou niet zijn om naar nieuwe landschappen toe te gaan, maar andere ogen te hebben, de wereld te zien door de ogen van een ander, van honderd anderen, de honderd werelden te zien die ieder van hen ziet, die ieder van hen is; en dat kunnen wij met een Elstir, met een Vinteuil, met huns gelijken, dan vliegen wij werkelijk van ster naar ster". Die reis behelst ook een soort vervoering die vooraf gaat aan onze taal en conventionele woordbetekenis: "ik vroeg mij af of […] de muziek niet het enige voorbeeld was van wat - als de uitvinding van taal, van woordbetekenis er niet was geweest - de communicatie tussen de zielen had kunnen zijn […] Deze terugkeer tot het onontlede was zo bedwelmend dat […] het contact met min of meer intelligente mensen mij van een buitengewone nietszeggendheid leek".
"De gevangene" is, zoals alle delen van "Op zoek naar de verloren tijd", onuitputtelijk en dus niet samen te vatten zo rijk aan thema's en motieven. Maar zelf vind ik vooral twee thema's betoverend: de van pijnlijke verlangens en afgrondige jaloezie doorregen liefde, en de ultieme beloften van geluk die geboden worden door anti- conventionele kunst die radicaal breekt met onze wereld van sleur en gewoonten. Proust heeft een wel heel pessimistische visie op liefde: die leidt bij hem tot sleur of tot ultieme pijn, een tussenweg is er volgens Proust niet. Maar hij heeft ook een heel meeslepende visie op de vreugden die kunst kan bieden: vreugden die hij bovendien op euforiserende wijze overbrengt met zijn vele prachtige zinnen. En de vele vormen van liefdespijn die hij schetst, en van peilloze verlatingsangst en daaruit voortkomende redeloze jaloezie, fascineren mij oneindig. Weliswaar met enige schrik, omdat ik hier meer in herken dan dat ik als brave burgerman wel durf te erkennen. Maar ook met bewondering, vanwege Prousts vermogen om die pijn te ontleden tot op het bot. Gepaard met vreugde, vanwege Prousts vermogen om, naast en doorheen deze werelden van pijn, ook werelden op te roepen van euforiserende, singuliere en nergens anders vertoonde schoonheid. Een troostende schoonheid bovendien, die Marcel deels van zijn smart verlost en die hem weer enig gevoel van zin geeft, ondanks zijn nijpende gevoelens van zinloosheid.
Ook deel 5 van "Op zoek naar verloren tijd" was dus weer een enerverende herleeservaring. Weer heb ik gemerkt dat er niets of niemand op kan tegen Proust. Kortom: op naar deel 6 en 7!