Lezersrecensie
Een enerverende en ontroerende autobiografische vertelling
Ergens in het midden van zijn carrière schreef Thomas Bernhard een cyclus van vijf autobiografische vertellingen: "De oorzaak", "De kelder", De adem", "De kou" en "Een kind". In die boekjes volgen we een naamloze ik- figuur die in alles doet denken aan Thomas Bernhard: tegelijk staan die boekjes vol hyperbolen, overdrijvingen, groteske uitvergrotingen en fictieve elementen, dus het gaat hier niet om memoires of autobiografieën in de conventionele zin des woords. Deze cyclus is bij veel Bernhard- liefhebbers zeer populair: sommigen vinden het zijn meesterwerk, anderen zijn vooral verrukt van het licht dat deze cyclus werpt op de grondthema's en obsessies van de grote Bernhard. Zelf las ik een tijdje terug "De oorzaak" (deel 1) en "Een kind" (deel 5) in vertaling, met veel plezier, en ik vond het jammer dat de andere drie delen nog niet waren vertaald. Maar dat is nu alsnog gebeurd: bij Uitgeverij Vleugels, door meestervertaalster Ria van Hengel. Feest! En dat feest krijgt nog een vervolg: ook de al vertaalde delen gaat Ria van Hengel (her)vertalen, en daarna doet ze nog twee nieuwe Bernhardjes voor Vleugels. Ik ben blij en tevreden, nu al.
"De kelder" is weer vintage Bernhard: vol soms ellenlange zinnen die zich zonder enige pauze en witregel aaneen rijgen, vol obsessieve herhalingen in crescendo van bepaalde motieven die door die herhalingen steeds intenser, gepijnigder en extra verwonderlijk gaan klinken, vol rabiaat en wanhopig geraas tegen alle voosheid in deze vreselijke wereld, en ook vol zwarte en toch hilarische humor over de zinloosheid van alles. De ondertitel, "Een onttrekking", is meteen al een beginselverklaring: de naamloze ik- figuur onttrekt zich aan alle conventies en regels van goede smaak die eigen zijn aan het door hem zo verfoeide burgerdom. En in de eerste zin staat meteen al: "DE ANDERE MENSEN vond ik in DE TEGENGESTELDE RICHTING, doordat ik niet meer naar het gehate gymnasium ging, maar naar mijn reddende vakopleiding, tegen alle redelijkheid in...". Lezers van "De oorzaak" weten hoe erg de ik- figuur het gymnasium haatte, hoezeer hij leed onder de geestelijke misvorming die hij als scholier moest ervaren, hoe fundamenteel het Christelijke gymnasium elke eigenheid bij al zijn scholieren vernietigde. En toch is het besluit om "de tegengestelde richting" te lopen en niet langer naar het gymnasium te gaan een bijna herculische ommekeer. Want: "Jarenlang had ik elke morgen als ik wakker werd gedacht dat ik de mij door mijn opvoeders, mijn beheerders opgelegde weg moest verlaten, maar ik had er de kracht niet voor, al die jaren heb ik die weg tegen mijn zin en met hevige inspanning van hoofd en zenuwen moeten gaan, totdat ik plotsklaps de kracht had die weg te verlaten, de kracht van de totale ommekeer, waarin ik zelf wel het minst had geloofd, maar alleen op het absolute hoogtepunt van je gevoels- en geestesinspanning is het mogelijk zo'n ommekeer te maken, op het moment dat je of die maken of alleen nog maar zelfmoord kunt plegen, wanneer de weerstand tegen alles wat de persoon die ik toen was, de grootste weerstand is, de dodelijkste weerstand is. Op zo'n levensreddend ogenblik moeten we gewoon of tegen alles zijn of niet meer zijn, en ik had de kracht om tegen alles te zijn, en TEGEN ALLES IN ben ik naar het arbeidsbureau in de Gaswerkstrasse gegaan".
Bernhard maakt echt geweldig voelbaar wat een waagstuk en krachttoer deze impulsieve keuze om alles in zijn bestaan om te keren feitelijk is. Dat doet hij door de hyperbolen, de meanderende en steeds meer crescendo klinkende zinnen, en ook door de vele herhalingen van dit zo beslissende moment. Want elke keer wordt dat omkeringsmoment anders belicht, terwijl het door de herhalingen uiteraard ook nog extra nadruk krijgt: dat alles maakt voelbaar dat het gaat om een uiterst intens moment van ommekeer dat de hoofdpersoon zelf niet bevatten kan. Niet op het moment van ommekeer zelf, en al helemaal niet achteraf en met de kennis van nu. Bovendien zegt de ik- figuur ook: "Het beschrevene maakt iets duidelijk wat wel met de WAARHEIDSWIL van de beschrijver overeen komt, maar niet met de waarheid, want de waarheid kan überhaupt niet worden meegedeeld". De "onttrekking" aan alles en de totale ommekeer van de ik- figuur ontsnapt dus aan de woorden. En "onttrekt" zich aan taal en mededeelbaarheid. Want woorden zijn niks dan leugens, en dit soort intense tegen- de -keer ervaringen zijn voor ons verstand sowieso niet te bevatten.
Maar goed: de ik draait dus, op weg naar het gymnasium, ineens om en loopt, tegen de mensenstroom in, naar het arbeidsbureau. Aldaar besluit hij, wederom tegen de keer en alle adviezen in, om leerjongen te worden van een winkel in Scherzhauserfeld, de meest door iedereen verachte buurt die Salzburg kent. In die winkel, en dan vooral in de kelder van die winkel, voelt hij zich - na uiteraard een periode van aanpassing- als herboren. Hij bevrijdt zich met andere woorden door bijna letterlijk ondergronds te gaan, en zich onder te dompelen in de tamelijk helse zelfkant van Scherzhauserfeld. Die bevrijding wordt werkelijk prachtig beschreven. Ook schrijft Bernhard schitterende zinnen over mijnheer Podlaha, de mentor en leermeester van de ik- figuur, de man die hem leert om met de zo deprimerende realiteit om te gaan, "het dagelijks leven aan te kunnen en me staande te houden", en "hoe je mensen met de grootste intensiteit en tegelijk met de grootste distantie moest bejegenen". De ik- figuur is duidelijk euforisch over de bepalende rol die Podlaha in zijn leven speelde, en zegt bovendien intrigerende en ontroerende dingen over hoe Podlaha zelf heeft geleerd om te gaan met zijn eigen mislukkingen en teleurstellingen. Dankzij Podlaha maakt de ik- figuur zich bovendien los van zijn vorige mentor: zijn grootvader, die zich afwendde van de hele maatschappij en zich vergeefs onderdompelde in werelden vol van kunst, filosofie en pure individualiteit. En die dus, anders dan Podlaha, niets wist te doen tegen zijn steeds toenemende isolement, zodat ook de ik- figuur dat niet van hem leren kon. Toch wordt ook de grootvader met veel liefde en respect beschreven. En misschien is het juist de grootvader die de ik- figuur inspireerde om, naast leerling in de handel bij Podlaha, ook een gepassioneerd student te worden in de muziek en de zangkunst. Als noodzakelijk tegenwicht voor het leven in de kelder van de winkel in het gemarginaliseerde Scherzhauserfeld. Zij het een tijdelijk tegenwicht, want door een longziekte moet de ik- figuur zijn geliefde zangkunst opgeven.......
Ik lees "De kelder" zeker niet als "autobiografische verklaring" van Bernhards schrijverschap, maar wel als een boekje dat mij nieuwe dingen leert over dat schrijverschap. De even intense als vergeefse liefde voor kunst bijvoorbeeld, die door Bernhard zo mooi wordt beschreven in b.v. "De onderspitdelver" en "Oude meesters", krijgt ook in "De kelder" mooi vorm en inhoud via de beschrijvingen van de ik- figuur en de grootvader. Die grootvader dompelt zich bovendien onder in even grootse als bewonderenswaardige als tot mislukken gedoemde filosofische projecten: dat plaatste de zo maniakaal nagestreefde grootste werken in "De kalkfabriek" voor mij in een intrigerend nieuw licht. Bovendien, het hele basismotief dat de op Bernhard geënte ik- figuur zich ineens omdraait en tegen de stroom inloopt werpt voor mij een prachtig nieuw licht op alles wat ik van Bernhard las. Dat hij totaal tegendraads is had ik uiteraard allang gezien, maar de zo intense beschrijvingen van het moment van radicale ommekeer geven voor mij extra kleur aan die tegendraadsheid. En ook aan het gegeven dat de ik- figuur zichzelf positioneert als "rustverstoorder", omdat hij de volgens hem zo groteske werkelijkheid altijd net zo hyperbolisch en grotesk beschrijft beschrijft als wat hij ervaart en ziet, hoe onaangenaam en ongelofelijk anderen dat ook mogen vinden. Tegelijk bevat "De kelder" veel ontroerende passages, iets wat ik in andere Bernhard- boeken minder vaak ben tegengekomen: over de (weliswaar tijdelijke) momenten van geluk en bevrijding van de ik- figuur, over zijn grootvader en Podlaha en hun belangrijke mentor- rol, over de gemarginaliseerde zelfkantfiguren die hij tegenkomt in de winkel en de kelder, en soms ook wel over de voogd en moeder van de ik- figuur, hoezeer die hem ook in een wurgende greep houden. Ik vind het vooral mooi om te ontdekken dat Bernhard, meester van de zwartgallige en allesverschroeiende tirade, daarnaast ook wel degelijk in staat is tot ontroerende passages, tot expliciet mededogen, en tot aanstekelijke beschrijvingen van geluk. En dat hij dit dan weet te combineren met de van hem zo vertrouwde passages vol hilarisch zwartgallige humor. Bijvoorbeeld de volgende over de wanhopig lege vrije zaterdagen: "De mens houdt niet van de vrijheid, al het andere is leugen, hij kan met de vrijheid niks beginnen, zodra hij vrij is, houdt hij zich bezig met het openen van kleren- en linnenkasten, met het ordenen van oude papieren, zoekt hij foto's, documenten, brieven, gaat hij de tuin in om te spitten of rent hij volkomen zin- en doelloos een of andere kant op, wat voor weer het ook is, en noemt het een wandeling".
Maar nog verrassender en intrigerender vind ik hoe "De kelder" daarnaast ook doordesemd is van een vreemd soort berusting in de zinloosheid. Een berusting die ik niet had verwacht, gezien de vele zinnen in steeds bozer crescendo en gezien de intensiteit en radicaliteit van het moment van totale ommekeer. Die berusting krijgt, in mijn beleving, vooral gestalte in de laatste pagina's van "De kelder", waarin de ik- figuur, jaren na dato, weer terug is bij de winkel van Podlaha in Scherzhauserfeld, en in gesprek gaat met een (door hem nauwelijks herkende) kennis van vroeger. Maar die winkel is niet meer, hij is verlaten. Eerder al had de ik- figuur ook al verteld over hoe die winkel er verlaten bijlag, bijna hyperbolisch vervuild was en omgeven met gecomposteerde bladerenhopen, en hoe de verlatenheid van die winkel uitstraalde dat ook Podlaha het uiteindelijk helemaal had opgegeven. Tevens had hij al melancholiek- berustende zinnen geproduceerd als: "De hopeloosheid heeft ons helderheid verschaft over mensen, dingen, omstandigheden, verleden, toekomst enzovoort. We hebben de leeftijd bereikt waarop we zelf het bewijs zijn voor alles wat ons in het leven is overkomen". Of ook: "We zijn allemaal voortdurend mensen die door anderen zijn weggegooid, die zichzelf elke nieuwe dag moeten terugvinden, in elkaar knutselen, samenstellen". Bovendien ziet hij het leven als één groot toneelstuk, waarvan niet te zien is of het een tragedie is of een komedie. "Eigenlijk heb ik geen weg afgelegd, waarschijnlijk omdat ik altijd bang geweest ben om een van die eindeloze en daardoor zinloze wegen af te leggen", zegt hij zelfs. "De kelder" is een tijdlang het verhaal van iemand die, na een drastische ommekeer, de tegendraadse weg heeft afgelegd en zich tot "rustverstoorder" heeft ontwikkeld. Maar het is uiteindelijk vooral het verhaal van iemand die geen weg heeft afgelegd, omdat hij in de zinloosheid berust. "Wat mij tegenwoordig het meest typeert is ONVERSCHILLIGHEID, en het is het besef van de GELIJKWAARDIGHEID van alles wat er ooit geweest is en wat er is en wat er zal zijn", zo zegt hij op de laatste bladzijden. En dat wordt dan omgeven door een berustend, maar als een mantra herhaald inzicht: het maakt allemaal niet uit, het stelt allemaal niets voor, het is allemaal om niet. Even denken we de waarheid te moeten vertellen, zoals de ik-figuur dat deed in "De kelder", en dan geeft hij dat ineens op. Zoals ook Podlaha alles opgaf. En dat is alles....
"De kelder" is nog geen 100 bladzijden dik, maar ik vind het een heel rijk boekje. Prachtig vind ik de intense beschrijvingen van de innerlijke ommekeer. Schitterend vind ik de tirades in crescendo, die soms hilarisch zijn en soms ronduit wanhopig, en heel verrassend vond ik hoe die passages gecombineerd worden met passages vol mededogen of geluksgevoel. Ik keek soms met enige schrik naar Bernhards hyperbolen, moest om andere hyperbolen dan weer keihard lachen, en werd dan ineens weer opgevrolijkt of ontroerd. Mooi vind ik ook hoe dit boekje mij nieuwe perspectieven geeft op andere Bernhardboeken die ik ooit las. Maar het meest intrigerend vind ik de steeds sterker wordende toon van vergeefsheid en zinloosheid, en hoe die toon bij mij naast treurnis vooral ook een serene berusting oproept. Zodat het boek, dat als een fel protest begon, fraai eindigt in een berustende zucht. Ik heb "De kelder" kortom graag gelezen. Dus op naar de volgende autobiografische vertelling!