Lezersrecensie

Prachtige kleine stukjes van een schrijver die alleen in het kleine kon leven.


Nico van der Sijde Nico van der Sijde
14 mrt 2016

Enkele weken terug las ik "De wandeling" en "Jakob von Gunten", waarover ik twee jubelende recensies schreef. Want dit waren niet alleen maar twee prachtboeken, dit waren voor mij twee persoonlijke ontdekkingen van een nieuwe topfavoriet. Meteen daarna las ik "De vrouw op het balkon en andere prozastukjes", en nog wat andere korte Walser-verhalen in het Duits en op www.robertwalser.nl. Weer was ik opgetogen en ontroerd door Walser wanhopige humoresken, weer raakte ik gefascineerd door zijn wereld vol melancholische schaduwen en vriendelijk licht. "Klein zijn en blijven. Alleen in de onderste regionen kan ik ademen", zo schreef Walser in het fabuleuze "Jakob von Gunten". Een credo dat weer prachtig naar voren komt in Walsers korte stukjes, die ook zelf klein zijn en blijven, en die er allemaal in slagen om hele werelden van humoreske wanhoop op te roepen in maar een paar regels.

Heel mooi vind ik bijvoorbeeld passages als de volgende, waarin een wandelende ik- figuur in een soort bescheiden vervoering raakt van de vluchtigheid van zijn wereld: "Standbeelden wenken je vanuit tuinen en plantsoenen toe; steeds blijf je doorlopen en werp je een vluchtige blik op alles, op het beweeglijke en het bestendige, op huurrijtuigen die traag voorthotsen, op de tram die nu begint te rijden en van waaruit mensenogen naar je kijken, op de stupide helm van een politieagent, op iemand met kapotte schoenen en een gescheurde broek, op een ongetwijfeld ooit welgesteld iemand die in bontmantel en met hoge hoed op de straat veegt, op alles, net zoals jijzelf voor alles een vluchtig oogmerk bent. Dat is het wonder van de stad, dat iedere houding en elk gedrag oplost in al die duizenden manieren van doen, dat de blik vluchtig is, het oordeel snel en het vergeten vanzelfsprekend". Wonderlijk vederlicht deze zinnen, door de stijl en door de vluchtigheid van de taferelen die beschreven worden. Tegelijk is die vluchtigheid en lichtheid ook tamelijk melancholisch: alles is gedoemd om snel te worden vergeten, ook de wandelende beschouwer zelf. En ook de glimpen van armoedigheid dragen bij aan die melancholie. Maar het blijft bij glimpen, en daardoor blijft die melancholie licht en vriendelijk van toon. Heel fascinerend vind ik dat. En zeker zo fascinerend vind ik hoe de verteller zichzelf in deze passage klein en vluchtig maakt, en hoe hij de kleinheid en vluchtigheid voelbaar maakt van wat hij ziet, op een innemende manier die mij erg ontroert.

Op een zelfde toon wordt ook een bos bloemen beschreven. Opvallend is ook hier de kleinheid, de vluchtigheid, en het vriendelijke licht dat daarop geworpen wordt: "Bloemen zijn noch onontbeerlijk noch gewichtig en zwaarwegend. Ze spelen geen grote rol; je kan in het leven heel goed zonder. Zo mooi als ze zijn, zo ongestraft kun je ze vergeten of er op zijn minst geen aandacht aan schenken. Een kwart of een half jaar lang denk je helemaal niet aan die goeierds en dierbare. Als je zoiets, of iets vergelijkbaars, toch ook eens van eten en drinken en vervelend zakendoen zou kunnen zeggen! Moeten ruggen in plaats daarvan wel eeuwig gegeseld worden en bange zielen onophoudelijk opgejaagd en gekweld?". Mooi is ook het contrast tussen die vluchtige kleinheid van de bloemen en de bangheid van gekwelde zielen. Die gekwelde zielen zijn, in mijn interpretatie, de zielen van gevestigde burgermannen: mensen die wel gewoon "zakendoen" en dus zichtbare positie hebben in de wereld, en die de onbekommerde lichtheid moeten ontberen van een bloem. Een vergelijkbaar contrast wordt iets later als volgt beschreven: "Qua grootte en reikwijdte kan mijn boeket zeker niet op tegen een kolenmijn en vergeleken bij een massademonstratie moet het in zijn lieflijkheid zonder meer in het niet vallen. Vliegtuigen kunnen met gemak aanzienlijk forser, derhalve imposanter zijn dan deze handvol bevallige lokjes en vlokjes, en geplaatst naast reusachtige kanonnen barst je in luid gelach uit over de schuchtere kopjes die wankel aan een dun halsje of stengel bungelen zodat je ze met het grootste gemak bij de kuif of kraag zou kunnen pakken om ze van kant te maken, voor het geval je daar zin in zou hebben, wat echter tegenover zulke sierlijke schepseltjes hopelijk toch wel wat al te ruw en te grof zou zijn". Typisch Walser, dit maffe contrast tussen de forse flinkheid van massademonstraties en vliegtuigen en de weerloze en fragiele bevalligheid van een boeket. Dit contrast is echter ook een statement, van Walseriaanse bescheiden kleinheid maar toch: dit verhaal is uit 1918, en de toespelingen op vliegtuigen, kanonnen en van kant maken verwijzen volgens mij discreet naar het toen actuele oorlogsgeweld. Vanuit zijn eigen kleinheid en marginaliteit kiest Walser partij voor de fragiele bloemen, of feitelijk voor alles wat te klein en te weerloos is om mee te doen met Het Grote Wereldgebeuren. En vanuit die zo kleine en weerloze positie ironiseert hij op sublieme wijze de wereld van kanonnen, demonstraties, zakendoen, vliegtuigen. Ja, de weerloosheid van de bloemen wordt lachwekkend genoemd, maar dat lees ik vooral als ironisch protest tegen iedereen die sterk genoeg is om bloemen te breken. En tegelijk ook als een vorm van humoreske wanhoop over de breekbaarheid van bloemen. Prachtig is ook hoe Walser even later de harmonie beschrijft van een boeket van fragiele bloemen: "Verschillende kleine figuurtjes leven in vrolijke saamhorigheid en vormen een rijk, ongedwongen, gezond geheel. Zij verdragen elkaar goed omdat zij elkaar opfleuren en aanvullen. Onderschikking uit eigen beweging is goed en natuurlijk. Niemand zit de ander in de weg, want ieder heeft zijn eigen gepaste bestemming, zijn eigen bescheiden plekje waar het stilletjes in- en uitademt".

"De vrouw op het balkon" zit vol met dit soort vluchtigheid, breekbaarheid, ironie, kleinheid en humoreske wanhoop. In veel van de prozastukjes wordt, op weliswaar lichtvoetige wijze, de wanhoop voelbaar gemaakt van iemand die geen positie weet te vinden in deze wereld: "Het leven versmacht van dorst; het snakt tevergeefs naar mij. Ik kijk het alleen maar aan". In veel passages is er ook deernis met alles wat klein is en weerloos. Tegelijk echter wordt die kleinheid ook verkozen, want door klein, onaanzienlijk en weerloos te zijn ontsnap je tenminste aan de gevestigde orde met al zijn pretenties. Ik word enorm opgevrolijkt en ontroerd van alle kleine tafereeltjes die Walser beschrijft. De poëtische rijkdom ervan raakt mij zeer, en de geniale lichtvoetigheid van zijn melancholie doet dat niet minder. Bovendien word ik als ik Walser lees voor even zelf ook kleiner, zodat ik voor even ontkom aan mijn op niks gebaseerde ambitieuze kippendrift van de werkende burgerman met een serieuze baan. Ja, mensen, ik ben dolblij dat ik Robert Walser ontdekt heb dit jaar, en ik hoop dat deze grootse kleine schrijver mij nog jaren lang vergezelt.

Reacties

Meer recensies van Nico van der Sijde

Boeken van dezelfde auteur