Lezersrecensie

Zwartgallig meesterwerk vol van hallucinante morsigheid, wanhopigheid en vergeefsheid


Nico van der Sijde Nico van der Sijde
14 mrt 2021

"De werf", gepubliceerd in 1961 en in 1968 mooi vertaald door Barber van de Pol, wordt vaak als het meesterwerk beschouwd van de Uruguees Juan Carlos Onetti (1909-1994). Maar Onetti's werk is vergeten, en heeft in Nederland nooit heel veel aandacht gekregen. Zijn romans en verhalen zijn weliswaar volgens sommige Onetti-kenners zeker zo briljant als die van b.v. Marquez of Vargas Llosa, maar de solitaire Onetti zocht nooit de publiciteit, en de hallucinatoire somberheid van zijn werk deed zijn verkoopcijfers ook geen goed. Zelf was ik hem trouwens eveneens vergeten, maar de recente publicatie van zijn prachtnovelle "Afscheid" maakte mij weer nieuwsgierig. Dus herlas ik "De werf", een roman waar ik niks meer van wist. En ik was flabbergasted.

Hoofdpersoon is ene Larsen, een vage en sombere schim die vanwege onduidelijke nederlagen en teleurstellingen in het verleden eerherstel en glorie zoekt door directeur te worden van een volkomen vervallen en verroeste werf, en door vage toenaderingen te zoeken tot de zwakzinnige dochter van de eigenaar van deze werf. Maar dat hele voornemen, en alles wat hij doet om dat voornemen te verwezenlijken, is vanaf het begin van een bijna hallucinante vergeefsheid en morsigheid doorregen. En Larsen lijkt dat te weten, zij het half- bewust en zonder het echt te weten. Want " [s]inds die middag dat hij onverwacht in Werfhaven van boord was gegaan [...], had hij de gulzige kuil van een ondefinieerbare val voorvoeld. Nu zat hij erin en was niet in staat er een naam aan te geven, niet in staat te zien dat hij enkel gereisd, plannen gemaakt, geglimlacht, geïntrigeerd en geduld betracht had om daar terecht te komen, om tot rust te komen in dit uiterste, wanhopige, onzinnige toevluchtsoord". Die totale vergeefsheid wordt nergens beredeneerd of verklaard: hij IS er gewoon in "De Werf", op elke pagina, en steeds op een voor de lezer ongrijpbare en precies daardoor heel invoelbare wijze.

De irrationele en grillige plot bijvoorbeeld biedt de lezer geen enkel houvast, geen enkel verklarend waarom: daardoor raakt hij net zo gedesoriënteerd als de dolende Larsen. Te meer omdat die plot vergeven is van de gaten en open plekken. En dat geldt ook voor het vertelperspectief: de alwetend lijkende vertelfiguur benadrukt vaak de onzekerheden over wat er gebeurd is en over wat Larsen wellicht heeft gedacht en gevoeld, hij haalt vaak dubieuze en in de mist tastende en elkaar tegensprekende getuigenissen of zelfs verzinsels aan omdat hij geen andere bronnen heeft, terwijl door allerlei herhalingen en vooruitwijzingen het heden en verleden van deze roman nog dubbelzinniger wordt dan dat het door de plot al is. Ook blijven de drijfveren van Larsen en de andere personages in nevelen gehuld: ze lijken zichzelf te ervaren als redeloze schimmen, en blijven schimmig voor zichzelf en voor ons.

Bovendien worden de vergeefsheid, het totale verval van alles, en de allesomvattende desillusie , heel pregnant opgeroepen door Onetti's indringende zinnen en beelden. Zoals: "Hij sprak niet eens voor de echo. De wind daalde in zachte wervelingen naar beneden en kwam breed en zonder haast door een wand naar binnen. Alle woorden, zelfs smerige, dreigende of trotse, waren vergeten zodra ze geklonken hadden. Verder was er niets, zo was het altijd geweest en zo zou het altijd zijn; niets dan dat dak, roestplakkaten, tonnen schroot, het blinde voortwoekeren van het hoge, vergroeide onkruid. En hij midden in de schuur, geduld als een voorbijganger, een buitenstaander, machteloos en absurd als een donker insect dat zijn poten en voelsprieten uitsteekt, spartelend in die atmosfeer van legendes, zeerampen, vervlogen arbeid, winter". Ook geeft Onetti op imponerende wijze stem aan de angst voor het totale niets. Bijvoorbeeld: "Hij voelde ineens angst als een extra kou, als een andere manier om de kou te ondergaan". Een koude angst voor verlatenheid, die later in de roman alles in en rondom Larsen penetreert: "Toen voelde Larsen hoe alle kou die hem gedurende de reis en de hele introverte, definitieve winter geplaagd had, in zijn botten zat en vandaar een eeuwig ijsklimaat uitzaaide over iedere plek die hij zou bewonen". Een bijna kosmische angst, zo lijkt het wel, of een bijna kosmische kou.... Vergelijkbaar, wellicht, met Nietzsches beeld van de kosmische kou die zou ontstaan na de dood van God.

Fraai en significant vind ik in dit verband ook hoe de beelden van Onetti soms een wereld oproepen die geheel verlaten is van God, en dus geheel verstoken van de hoop op verlossing of op een Hogere Waarheid. Soms krijgt "De werf" daardoor bijna het karakter van een anti- religieuze parabel, van een allegorie die alle religieuze en Bijbelse hoop parodieert. Bijvoorbeeld: "[Larsen] keek naar de twee roestige hijskranen, naar het grijze blokvormige gebouw dat absurd groot uitkwam in het vlakke landschap, naar de enorme, half weggevreten letters die als een schorre reus amper Jeremias Petrus & Compagnie fluisterden". Jeremias Petrus is de door waanbeelden voortgedreven eigenaar van de vervallen werf: de half vervallen letters van zijn naam - en het beeld van de schorre reus die deze half vervallen letters fluistert- onderlijnen al mooi zijn teloorgang. Maar dat krijgt nog extra lading door de Bijbelse namen zelf, die verwijzen naar de profeet Jeremia en de apostel Petrus. Mogelijk daarom wordt Petrus, in een naar mijn smaak bitter ironische zin, ook de "pionier" genoemd van de "grootsheid der natie". De teloorgang van dat pionierschap, en van de religieuze elementen daarvan, is echter manifest: "Maar de laatste tekens dat de werf bestond voor de buitenwereld. voor iemand anders dan het schimmige personeel dat er nog zat, hielden na enkele maanden op. En zo verloor Kunz, meegesleept door de algehele scepsis, zijn aanvankelijke geloof en veranderde het grote, wormstekige gebouw in een verlaten tempel van een uitgestorven religie". En ja, ook Larsen heeft mogelijk vergeefs naar een tempel gezocht, te midden van puinhopen, teloorgang en verval, en heeft tot zijn teleurstelling gemerkt dat deze tempel een lege huls bleek: "Tussen de ruw geschaafde, slordig geschilderde planken door, keek hij naar de ruitvormige brokken vervallend licht en landschap, zag de schemering oprukken alsof iets haar op de hielen zat, het gras buigen al was er geen wind. Een vochtige, afgekoelde, intense geur, een geur die hoorde bij de nacht, bij gesloten ogen, steeg op uit het bassin. Aan de andere kaant tekende het huis zich af op de slanke, betonnen pilaren, boven een diepe holte van paarse duisternis, boven stapels matrassen en tuinstoelen, een tuinslang, een fiets. Toen Larsen één ooglid liet zakken om beter te kunnen zien, zag hij het huis als de lege huls van een felbegeerde, beloofde hemel; als de poorten van een stad waar hij voorgoed wilde binnengaan om de rest van zijn dagen te besteden aan stille wraakacties, apathische wellusten, een narcistisch, achteloos gezag."

Ik vind het prachtig hoe Onetti in deze passage hele ritsen van adjectieven aan elkaar koppelt en zo een wereld oproept vol ondefinieerbaarheid en verval. Ik vind het imponerend hoe hij dan, te midden van dat verval, een huis laat opstijgen dat alleen de "lege huls" is van een "felbegeerde hemel", en dus de vergeefse poort van een "stad waar hij voorgoed wilde binnengaan". Intrigerend vind ik bovendien hoe dat wat hij in die stad vergeefs zoekt ook nog eens dubbelzinnig en troebel blijft, duister voor Larsen en voor ons. Want wat kunnen wij ons bijvoorbeeld voorstellen bij "apathische wellusten", hoe goed die paradox ook past bij de intens gepassioneerde maar ook verlamd onmachtige Larsen? En uitermate boeiend vind ik hoe die lege huls van een felbegeerde hemel, door zo nadrukkelijk ingebed te zijn in al dat verval, zelfs nog leger wordt, en dat het felle begeren van de hemel bijna letterlijk wordt gesmoord in de rotzooi. Wat ook weer extra lading geeft aan de eerder aangehaalde passages over Larsens koude en welhaast kosmische angst voor het niets, die ik dus interpreteer als de angst voor de volstrekte kou van een wereld die helemaal verlaten is door God en door welke andere Hogere Waarheid ook..... Kortom: chapeau!

De wereld die "De werf" ons voorschotelt is vol van groteske uitvergrotingen, vol van subjectieve vervormingen, vol van intense beelden die nauwelijks realistisch of begrijpelijk zijn maar juist daardoor extra pregnant. En precies daardoor dringt Onetti volgens mij dieper door in de wanhoop en vergeefsheid dan veel realistische schrijvers doen. De intense somberheid van "De werf" was voor mij soms wel wat al te heftig, maar tegelijk zie ik liever dat dan het al te zonnige optimisme van mensen die de zwarte kanten van het bestaan niet zien. Bovendien bewonder ik de intense kracht, diepgang en originaliteit van Onetti's stijl en vorm. Soms waande ik mij zelfs bijna in een boek van Faulkner, een van Onetti's helden maar ook een van de mijne: Onetti deelt Faulkners verbijstering, diens verbittering over alle nederlagen van het leven, diens hallucinatoire scenes en koortsdroomachtige taal..... En hij is nagenoeg even overweldigend. Ik ben dus blij dat ik "De werf" herlezen heb. En later dit jaar ga ik vast nog meer Onetti's verkennen.

Reacties

Meer recensies van Nico van der Sijde

Boeken van dezelfde auteur