Lezersrecensie

Een adembenemend geniaal, compromisloos origineel, inspirerend, humoresk en wanhopig adieu


Nico van der Sijde Nico van der Sijde
24 mrt 2016

Na Walsers prachtvolle "De wandeling" las ik meteen "Jakob von Gunten". En weer kom ik superlatieven te kort. Ook dit was weer grootse en unieke literatuur, waar ik volkomen opgetogen van raakte en zeer door werd ontroerd. "Jakob von Gunten" moet naar mijn smaak in een adem worden genoemd met het allergeniaalste werk van Kafka, niet alleen vanwege de overeenkomsten in stijl en thematiek (waarover later meer) maar vooral vanwege de overeenkomsten in peilloos hoge kwaliteit. Zoiets zeg ik niet gauw, want Kafka is een van mijn allergrootste persoonlijke favorieten, en er zijn maar heel weinig schrijvers die mij zo enorm hebben verbluft. Walser echter is een van die zeer weinige schrijvers, weet ik nu. En dat Walser een van Kafka's persoonlijke favorieten was verbaast mij geenszins.

Hoofdpersoon en ik-verteller is ene Jakob von Gunten, die zijn ouderlijk huis is ontvlucht omdat (zo suggereert hij althans in een bijzin) de voortreffelijkheid van zijn afkomst hem dreigde te verstikken. Zijn ontvluchtingsoord is het Instituut Benjamenta, waarin Jakob en de andere jongens worden opgeleid tot "een dikke, kogelronde nul". Aan het begin van deze kleine grootse roman lijkt dit instituut nog een gewone opleiding tot butler, maar het ontwikkelt zich meer en meer tot een Kafkaëske doolhof, een labyrint met een voor iedereen geheime en ontoegankelijke centrale kamer, en een unheimlich oord waarin elke realiteit wordt vermengd met onwerkelijkheid en surrealistische droom. Net als de hoofdpersonen van "Het proces" en "Het slot" doolt ook Jakob rond in een ongrijpbare wereld zonder wezenskern en zonder zin. Net als Kafka beschrijft Walser dit (vooral innerlijke) dolen in de leegte met onnavolgbare zwaarmoedige lichtheid, en met de voortdurende verbazing van een kind dat niet begrijpt wat het ziet. Dat alles beschrijft Walser ook met Kafkaëske meesterhand . Ook de bijna broze onwerkelijkheid van dit instituut wordt met Kafkaiaanse trefzekerheid opgeroepen: "Het is hier allemaal zo teer, en je lijkt wel midden in de blote lucht te verkeren, niet op vaste grond als het ware". Ook het verwarrende gevoel van grondeloosheid en onbestendigheid wordt prachtig verwoord: "Ik had 't gevoel alsof de wereld van de ene ruimtelijke mogelijkheid tot de daaraan tegenovergestelde een brandend- gloeiend- gapende scheur had opgelopen". En Walser is even intens als Kafka geobsedeerd door onoplosbaarheid van de raadselen der wereld: "God geeft de wereld een Kraus om haar als 't ware een groot, onoplosbaar raadsel op te geven. Welnu, dat raadsel zal nooit worden begrepen, want kijk: er wordt immers nog niet eens de moeite genomen het op te lossen, en precies daarom is dit Kraus- raadsel zo heerlijk en diepzinnig: omdat niemand het wenst op te lossen, omdat eigenlijk geen enkel levend wezen achter deze naamloze, onopvallende Kraus ergens een of andere opgave, een of ander raadsel of een fijnzinniger betekenis zal vermoeden. Kraus is echt een werk van God, een niets, een bediende."

Maar waar Kafka's personages tragi-komisch en wanhopig bijven zoeken naar een allesverklarende betekenis, dompelt Jakob von Gunten zich juist onder in de gedachteloosheid, het betekenisloze, het niets. Daarom ook noemt Jakob in het citaat hierboven het "Kraus- raadsel" ook "heerlijk en diepzinnig", iets wat K. in "Het Proces" nooit zou doen. Want Jakob en zijn schoolgenoten verkiezen het om een dikke kogelronde nul te zijn, verkiezen dus de totale nederigheid en nietswaardigheid, omdat zij op even humoreske als wanhopige wijze totaal elk geloof verloren hebben in de zwaarwichtigheid en ogenschijnijke diepzinnigheid van de gewone wereld. In zijn passages over deze onderdompeling in het niets is Walser meer dan 'alleen' de evenknie van Kafka: daar is hij even groots als uniek. Prachtig vind ik bijvoorbeeld de volgende passage over Jakobs schoolgenoot Heinrich: "Hij heeft geen karakter want hij weet nog helemaal niet wat dat is. Hij heeft vast nog nooit over het leven nagedacht, en waarom ook? Hij is heel braaf, gedienstig en hoffelijk, maar zonder bewustzijn. Ja, hij is net als een vogel. Het harmonieuze komt bij hem overal tevoorschijn.Een vogel geeft je een hand, gesteld dat hij je er eentje geeft, een vogel loopt zomaar wat en staat zomaar wat. Alles is onschuldig, vredelievend en gelukkig aan Heinrich". Een jubelende en geëxalteerde lofzang op de onschuld, zoals vaker bij Walser. Maar dan wel op de onschuld van iemand die geen bewustzijn wil hebben, die ook geen vaste positie wil in de serieuze wereld der volwassenen, waarin bewustzijn een vereiste is, evenals karakter. De onschuld dus van iemand die altijd een "onbeduidende pupil" wil blijven, een "dikke kogelronde nul". Dat geeft aan alle exaltatie en jubel een uiterst dubbelzinnige toon, want die onbeduidendheid en de eerloosheid van de nederige nul zijn (zo laat Jakob ons meer dan eens merken) tegelijk ook immens treurig. Maar de onbeduidende, nederige pupil "neem ook alles luchtig, bijna frivool": maatschappelijk geslaagde manskerels hechten aan veel dingen waarde en gewicht, maar voor Jakob en de zijnen is alles gewichtloos en frivool-vluchtig.

Een dergelijke kijk op de wereld is behoorlijk illusieloos, tot op het wanhopige af zelfs. Maar uit die illusieloosheid wordt ook vreugde geput en lyriek. Want het grote niets biedt ook opmerkelijke vormen van genot. Geniet even met mij mee: "De natuur leek mij al toen ik klein was iets hemels-ver-wegs. Dus ik kan de natuur ontberen. Moet je dan ook niet God ontberen? Te weten dat het goede, pure, en verhevene hoe dan ook, waar dan ook, in nevels verborgen is en dat rustig, heel stil te vereren en te aanbidden met een als 't ware totaal koele en schimmige geestdrift: daar ben ik aan gewend". Het in stilte vereren van wat in nevelen is en blijft verhuld: prachtig. En nog een passage waar ik zeer van genoot: "Ja, wij wachten, en wij leggen als 't ware ons oor te luisteren bij het leven buiten, bij die vlakte die wereld wordt genoemd". Precies dat is de wereld voor Walser: een vlakte, oftewel een oppervlak zonder diepere grond of betekenis, en hij geniet van dit oppervlak. En het luisteren daarnaar getuigt van een wel heel opmerkelijke soort aandachtigheid: "Ik schep er genoegen in aandachtig te luisteren naar iets, wat dan ook, wat geen geluid wil geven. Ik let op, en dat maakt het leven mooier, want als je niet hoeft op te letten bestaat het leven eigenlijk helemaal niet". Een zo intense aandacht voor dat wat nauwelijks geluid en vorm heeft is wel heel ongewoon, maar ja, Jakob is nu eenmaal totaal niet geïnteresseerd in de definieerbare vaste werkelijkheden van de geslaagde volwassenen. Hij bekijkt en beluistert daarom veel dingen in de binnenwereld en buitenwereld "...als iets kleins, fijns en gewoons, als iets wat alleen maar simpele aandacht verlangt, verder niets, en zo luister je ook". Dat betekent ook dat hij vaak het denken uitschakelt, en zeker het conventionele classificerende denken: "Ik heb slechts waardering voor ervaringen en die zijn doorgaans volkomen afhankelijk van elk denken en vergelijken. Zo waardeer ik aan mezelf hoe ik een deur open. In het openen van een deur zit meer leven verborgen dan in een vraag".

In een van Jakobs vele dromen zegt iemand: "Je aan de cultuur onttrekken, Jakob. Weet je, dat is fantastisch". Dit hele boek staat voor mij in het teken van deze onttrekking aan de cultuur, d.w.z. aan een soort "innere Emigration" uit protest tegen de normen en waarden van de gevestigde wereld. Dat komt ook naar voren in de stijl van "Jakob von Gunten", die in het teken staat van aandacht voor het nietige en nederige en die bovendien op elke pagina compromisloos origineel en ongrijpbaar is. Het is de stijl van iemand die "adieu" zegt tegen de wereld en zich overgeeft aan een nieuwe, door niemand erkende ervaringswerkelijkheid. Een adieu dat humoresk is maar ook wanhopig, want in een dergelijke wereld zouden u en ik niet kunnen leven, maar ook enorm inspirerend door de vele stille, nevelachtige maar schitterende ervaringen die Walser beschrijft. Bovendien is Walser ook griezelig goed op dreef als hij de wilde dromen van Jakob beschrijft, over luisterrijke avonturen, de verzonnen pracht en praal in de mysterieuze binnenvertrekken van het Benjamenta Instituut, over de door sado-masochistische onderstromen en doodsverlangens gekleurde dromen over mevrouw Benjamenta (de enigmatische lerares met toverstaf), over eindeloze dooltochten als soldaat van Napoleon door eindeloze door oorlog geteisterde velden, en over een avontuurlijk afscheid van de wereld samen met directeur Benjamenta, met laatstgenoemde als een kleurrijke Don Quichotte en Jakob als Sancho Panza. Ook uit deze passages had ik eindeloos veel zinnen kunnen aanhalen.Want het zijn prachtig geschreven avonturenverhalen, die verbluffen door kun kleurenrijkdom en enorm ontroeren door het contrast van die kleurrenrijkdom met de karige leefomstandigheden van de dromers. Tegelijk zijn het ook prachtige voorbeelden van "innere Emigration": in de citaten hierboven emigreert Jakob door zijn aandachtige overgave aan het nevelachtige niets, en in de vele fantastische droompassages emigreert hij door zich over te geven aan de avonturenwereld van het kind.En ook zo onttrekt hij zich aan de serieuze en zwaarwichtige wereld van de gevestigde volwassenen.

Kortom, ik heb zeer van "Jakob von Gunten" genoten, zoals ik een week terug ook zeer heb genoten van "De Wandeling". Ik duik nu meteen onder in "De vrouw op het balkon en andere prozastukjes". Wat een kanjer, die Walser, wat een groots schrijver van kleine literatuur!

Reacties

Meer recensies van Nico van der Sijde

Boeken van dezelfde auteur