Lezersrecensie
Ongelofelijk swingende roman in ongehoord virtuoze verzen.
"Jevgeni Onegin" geldt als Poesjkins meesterstuk, en als een van de adembenemendste pieken in het rijke berglandschap van de oude Russen. Ik meed dat boek niettemin tot nu toe: een roman in verzen leek mij lastig lezen, en onvertaalbaar bovendien. Maar ja, het is nu vertaald door meestervertaler Hans Boland, die ik wel kende van zijn denderende Dostojevski- vertalingen. Bolands Poesjkin- vertaling werd bovendien luidkeels bejubeld door kenners als Sjeng Scheijen (De Groene Amsterdammer) en Michel Krielaars (NRC). En dat is naar mijn smaak volkomen terecht. Uiteraard kan ik niet beoordelen in hoeverre de glans van het origineel behouden blijft, maar wat er nu in het Nederlands voor ons ligt swingt en sprankelt als een tierelier. Ik las deze roman in verzen twee keer achter elkaar, met steeds toenemende pret. Tegelijk las ik ook de beruchte en beroemde geannoteerde vertaling door Nabokov, die uit overtuiging rijm en metrum opgeeft (en dus veel van Poesjkins elegantie bewust opoffert) omdat hij veel letterlijker vertaalt: "rendering, as closely as the associative and syntactical capacities of another language allow, the exact contextual meaning of the original. Only this is true translation". Boland daarentegen kiest niet voor de letterlijke betekenis, maar voor de virtuositeit van het vers. Dat lukt hem naar mijn smaak echt geweldig, dus las ik Bolands vertaling uiteindelijk met meer geestdrift dan Nabokovs vertaling. Al vond ik het ook wel heel prettig om tegelijk, dankzij de vertaling en annotaties van Nabokov, beter begrip en gevoel te krijgen voor de inhoud en de betekenislagen van "Jevgeni Onegin".
Romans in verzen: daar zijn er niet veel van, en Poesjkin was daarin volgens mij een pionier. Het is meer dan alleen maar een lang gedicht van ruim 170 bladzijden: er staan allerlei zijpaden en uitweidingen in die je in gedichten niet verwacht, en allerlei ongefilterde beschrijvingen van het dagelijks leven die kenmerkend zijn voor romans en juist niet voor poëzie. Ook is er sprake van plot- en karakterontwikkeling, net als in normale romans. Alleen, die plot- en karakterontwikkeling ontvouwt zich in virtuoze verzen, en is daardoor van een ongelofelijke bondigheid en concentratie. Een normale roman zou enige bladzijden uittrekken om te beschrijven hoe de verveelde en in het leven teleurgestelde Onegin eerst opveert door zijn verblijf in de bossen, om daarna toch weer door spleen te worden bevangen. Poesjkin doet dat echter in vier regels: "Het was een hele openbaring:/ Verlaten velden, grimmig woud,/ Murmelend water, Die ervaring/ Was nieuw- en na drie dagen oud". Een gewone roman zou ook een ik- figuur kunnen hebben die dichter is, en die zijn teleurstelling in de liefde uiteindelijk sublimeert in verzen. Maar ook hier condenseert Poesjkin die ontwikkeling in vier ongelofelijk bondige regels: "De liefde ging, de muze wachtte/ En heeft mij naar het licht geleid,/ Naar harmonie tussen gedachte, / Gevoel en klank. Ik ben bevrijd". Het proza van de roman wordt door Poesjkin dus steeds samengebald in de bondigheid van poëzie. Daardoor krijgt de roman een ongehoorde vaart, lichtvoetigheid en dynamiek. Ook trouwens door het meeslepende poëtische ritme van elke zin, en door de intensiteit van veel van de zinnen. Een intensiteit die in proza niet zou werken, maar in poëzie wel.
Dat alles wordt nog versterkt doordat er steeds razendsnel wordt geswitcht tussen scenes, motieven en stemmingen: het ene moment zit je ondergedompeld in een innerlijke melancholieke bespiegeling van de ik- figuur, het andere moment zit je middenin een zijpad vol ogenschijnlijk niet ter zake doende alledaagsheden, dan ineens zit je volop in het hoofd van een van de personages, en zo gaat het maar door. Die enorme beweeglijkheid is ongelofelijk charmant, naar mijn smaak. Poesjkin- kenner Edmund Wilson roemt Poesjkins "infinite sympathy and his equally universal detachment", en dat herken ik volkomen: het is ongelofelijk hoe Poesjkin het ene moment onze volle aandacht vraagt voor een natuurtafereel, het andere moment onze even volle aandacht vraagt voor een mondain bal vol onechtheid en verveling, twee seconden later onze even volle aandacht voor het idealisme van een jeugdige dichter, en nog twee seconden daarna ons deelgenoot maakt van Jevgeni's oneindige spleen. Die aandacht, voor steeds verschillende taferelen en sferen, is inderdaad "infinite sympathy", vooral ook door de intense bondigheid en virtuoze vaart waarmee die taferelen en sferen worden opgeroepen. En tegelijk is er ook steeds "universal detachment" omdat de dichter zich aan geen enkel tafereel definitief hecht en steeds op zoek gaat naar iets nieuws. Niks is definitief, maar alles verdient volle aandacht: alles verdient volle aandacht, maar niks is definitief.
Diezelfde combinatie van "infinite sympathy" en "universal detachment" zit voor mij ook in de toon en structuur van deze roman in verzen als geheel. "Jevgeni Onegin" draait om drie complementaire maar contrasterende hoofdpersonen: de ironisch- bittere maar tegelijk romantisch- verlangende ik- figuur (een gestileerde versie van Poesjkin zelf), de met de ik- figuur bevriende Jevgeni Onegin die stevig gebukt gaat onder spleen en verveling en structurele teleurstelling in het leven, en de jeugdig- naïeve, zeer idealistische dichter Lenski. Drie antipoden, die elkaar op fascinerende wijze soms aantrekken en soms afstoten. Die alle drie onze volle aandacht vragen, maar die geen van drieën een definitieve of eenduidige waarheid belichamen. En die dan ook alle drie worden gepresenteerd met een opmerkelijke mening van ironie en inleving. Het bevlogen idealisme van de jonge Lenski bijvoorbeeld is duidelijk wat al te naïef, wat bij zowel Onegin als de ik- figuur veel milde spot oproept. Maar tegelijk ook een soort weemoedige bewondering, want over Lenski wordt o.a. het volgende gezegd: "Hij werd bemind. Althans, dat meende/ Hij zelf. Hij kon gelukkig zijn,/ Vol goed vertrouwen, want hij leende/ Het oor niet aan het kille brein./ Zijn hart had vrede, hij was dronken/ Van liefde, blij als een beschonken/ Voetreiziger die heerlijk snurkt, / Of als een honingbij die lurkt/ Aan fris ontloken lentebloesem./ Maar hij die ieder woord bevriest, nooit zijn hoofd verliest/ En lichaamstaal beschouwt als droesem,/ Zich de teleurstelling bespaart- / Zo iemand is beklagenswaard". Ach, beklagenswaardig naïeve Lenski….. Ach, bewonderenswaardig naïeve en bevlogen Lenski….. En ach, die milde spot en droeve bewondering die de ik- figuur hier in weinige regels samenbalt.... Plus ook de droefheid dat hijzelf niet altijd die idealistische onbevangenheid van Lenski heeft....
De plot van deze roman in verzen zit bovendien vol ironische dubbele bodems: opvrolijkend door hun virtuositeit, ontroerend door hun soms tragische karakter, tegelijk ook tragi- komisch door hun ondertoon van onechtheid en ongewisheid. Er is een duel, waarin iemand tragisch dood gaat: veel aan dit duel en aan de verwikkelingen die tot dit duel hebben geleid echter is tegelijk ook gratuit en belachelijk. Schitterend om te lezen en te herlezen hoe de nakende tragiek van dit duel wordt aangekondigd met werkelijk briljant beschreven surrealistische droommotieven, maar even intrigerend is hoe dat duel tegelijk een bijna absurdistische en lachwekkende farce is. Ook de personages zitten vol dubbele bodems: Lenski bijvoorbeeld lijkt een oprecht idealist, maar aan de andere kant lijkt hij ook iemand die te veel romantische literatuur las. Dus is zijn idealisme misschien onecht en onoorspronkelijk. Hoe bewonderenswaardig dat idealisme tegelijk ook is. Ook is er de wanhopig op Onegin verliefde Tatjana, een prachtig beschreven personage dat anders en puurder is dan anderen, maar later is (of lijkt?) zij veranderd in een door conventies onnatuurlijk gemaakt wezen. Maar ja, misschien was haar liefde zelfs al een begoocheling, een onecht gevoel veroorzaakt door het lezen van te veel romans? Wie weet is dus ook haar puurheid onecht, hoe prachtig die ook in verzen wordt gevat? En hoe aan te kijken tegen Onegin, die Tatjana eerst afwijst, en haar later - o, tragische ironie van het lot- volkomen vergeefs alsnog najaagt? Was de afwijzing pose of oprecht? Is de latere toenadering pose of oprecht? En, nog wat fundamenteler: is Onegin een Byroneske held of een parodie erop? Moeten wij zijn leed aan de wereld bewonderen, betreuren of ironisch bespotten? Naar mijn gevoel blijft dat de hele roman in verzen lang dubbelzinnig. Zoals ook de ik- verteller de hele roman door voor mij een intrigerend dubbelzinnige figuur blijft: lyrisch en ironisch, romantisch en in de romantiek teleurgesteld, vol leed aan het leven en tegelijk vol jubel en schoonheidsgevoel.
Het zal duidelijk zijn: ik heb als een kleuter genoten van "Jevgeni Onegin" in Bolands vertaling. Daardoor geloof ik nu ineens wat ik nooit heb willen geloven: dat Poesjkin maar zo de evenknie zou kunnen zijn van geniale oude Russen als Tolstoj, Dostojevski, Gogol, Turgenjev en Tsjechov. Poesjkin is wel de Mozart van de Russische literatuur genoemd, en verdomd: ik word net zo vrolijk van Poesjkins dichtregels als van Mozarts muziek, want die dichtregels zijn voor mij net zo onverklaarbaar virtuoos en elegant. Zodat ik zelfs om de meest droevige regels toch vrolijk moet jubelen. Gelukkig heeft Boland ook andere gedichten van Poesjkin vertaald, en nog een hele reut proza bovendien. Dat ga ik nu allemaal lezen!