Lezersrecensie
Prachtboek van een beestachtig goede stilist
Denis Johnson staat bekend als een kameleon omdat elk boek weer totaal anders is dan al zijn andere, en als een beestachtig goede stilist die helaas veel te weinig wordt gelezen. Ik ken zelf ook lang niet al zijn boeken, maar wel zijn overweldigend-groteske Vietnamboek "The tree of smoke", ruim 600 geniale en ongehoord spectaculaire bladzijden dik, en de prachtige novelle "Traindreams", krap 90 verstilde bladzijden die rijker zijn dan menige roman. Sterker nog, er staan zinnen in die beter zijn dan menig oeuvre. Nu heb ik dan "The name of the world" van hem gelezen, minder bekend maar volgens de NRC een van zijn meesterwerken. En ja, totaal anders dan die twee andere boeken die ik van hem ken, maar net zo ongelofelijk goed. Vol zinnen waardoor ik even helemaal geen adem meer had, en waar ik helemaal euforisch van werd ondanks hun vaak erg desolate inhoud. Vol beelden die zo origineel en overweldigend waren dat ik even pauze moest nemen en kreetjes moest slaken van bewondering. En dat alles ingebed in een verhaal dat zo verstild, ongrijpbaar en onvoorspelbaar verloopt dat je soms niet meer weet waar je kijken moet. Het boekje is 129 bladzijden dun, op veel bladzijden opmerkelijk onspectaculair, en toch had ik na afloop het gevoel alsof ik in een achtbaan had gezeten.
Hoofdpersoon is Michael Reed, die -zoals zoveel personages bij Denis Johnson - de weg kwijt is in de wereld, met name omdat hij vier jaar geleden zijn vrouw en dochter verloren heeft vanwege een onnozel en achteraf vermijdbaar auto-ongeluk. Het ongelofelijk prachtige van dit boekje is dan dat het verdriet en vooral de totale ontheemding en vervreemding van Michael volkomen voelbaar gemaakt wordt, maar tussen de regels door en zonder openlijke huilbuien of andere conventionele uitingen van openlijk verdriet. Michael is door deze tragedie lamgeslagen, op de dool, volslagen van doel en richting beroofd, wezenloos, en precies die wezenloosheid wordt opgeroepen in de ene na de andere ongrijpbaar prachtige zin. Bovendien, ook veel personages om hem heen lijken van wezenloosheid doordesemd, ook als zij geen tragedie hebben meegemaakt: alsof de hele wereld zinloos is, ook voor hen die geen verdriet hebben te dragen, en alsof iedereen gedwongen is maar wat rond te dwalen op de tast. Ziehier een dialoog tussen de droevige Michael en de maatschappelijk uiterst geslaagde Tiberius Soames. Laatstgenoemde verrast Michael tijdens een volkomen wezenloos feestje met de volgende aparte uitspraak:"I've just got no more stomach for the bitter charade. When my mother died her body was eaten by dogs". Hierop weet Michael, in zijn totale - en begrijpelijke- verbijstering, even niet wat te doen, dus herhaalt hij vragend: "dogs?". Waarop Soames vervolgt met: "That's my message to the world. Why should it be otherwise? Should I disguise the facts concerning our universe?"
Een wel heel onverwachte en ongrijpbare dialoog, die naar mijn smaak wel heel pregnant een gevoel van treurnis en zinloosheid overbrengt. Dat geldt ook voor terloopse natuurbeschrijvingen als: "The sky had that relentless emptiness the sky can have on a hot day over the endless farms. This island is a big arid solitary rock that pleads for a sculptor to come". Zo'n beschrijving vind ik dan ook nog eens behoorlijk briljant qua woordkunst. Ook prachtig is hoe de fascinatie wordt beschreven van Reed voor een doofstomme jongen, die hij in doventaal ziet communiceren in een sektarische kerk: "I was fascinated. Without voices to help them they used whatever they had, both their faces animated, exploding with emotion, while the quick lively gestures shot down their arms and out their fingers; they worked at it like silent-film actors, and suddenly, reminded of the old silent films, I was struck with an understanding of the empty peace the boy inhabited". Prachtig, die fascinatie voor leegte en stilte van de gekwelde Michael Reed. En ook dat verlangen daarnaar. Dat alles komt later nog wat pregnanter terug, zodra er in die sektarische kerk - waar Michael ook maar door puur wezenloos toeval terecht is gekomen- een gezang wordt aangegeven. Want dat roept bij Michael dan het volgende op: "Nearly three hundred people, all singing beautifully. I wondered what it must sound like out in the empty green fields under the cloudless blue sky, how heartrenderingly small even such a crowd of voices must sound rising up into the infinite indifference of outer space. I felt lonely for us all, and abrubtly I knew there was no God". Werkelijk geweldig vind ik dat, niet alleen door de zin zelf maar ook door hoe deze scène is voorbereid: steeds heb je meegeleefd met Michaels dwaaltochten in zijn eigen desolaat lege hoofd, en daardoor word je des te harder geraakt door dit prachtig geformuleerde BEWUSTE besef van zinloosheid en leegte. Een besef dat voor Michael, nu het een BEWUST besef is geworden, ook als bevrijdend inzicht wordt omarmd: "We praised the empty universe. I felt our hearts going up and up into an endless interval with nothing to get in the way. All my happy liberated soul came out of my throat." Michael bejubelt dus de leegte van het universum OMDAT het een leegte is, en wordt helemaal euforisch van de gedachte dat er juist geen God de Vader is die over hem waakt. Een bijna Nietzscheiaanse amor fati, waarin het leven en lot in al zijn redeloosheid wordt bejubeld.
Een prachtig boekje, vol van dit soort schitterende zinnen en vol van niet na te vertellen zo vreemde wendingen, mijmeringen, gebeurtenissen en gevoelens. Vol ook van kwelling, eenzaamheid, en van zinloosheid die tot op de bodem wordt gepeild. En ook met een naar mijn gevoel mooi slot, dat ik niet ga verklappen, waarin Michael toch een bepaald soort verlossing vindt. Niet door de zinloosheid en leegte te overwinnen, maar door deze op een bepaalde manier te aanvaarden en zich erin te storten. Iets wat zelfs na de boven beschreven amor fati voor mij nog als een intrigerende verrassing kwam. Dit smaakt naar meer, mensen, dus ik ga binnenkort meer lezen van Denis Johnson!