Lezersrecensie
Absurde en vergeefse zoektocht van een verweesde detective
In "When we were orphans" worden we, zoals bijna altijd bij Ishiguro, meegenomen in het ongrijpbare levensverhaal van een ik-verteller die zijn eigen leven niet kan of wil duiden. Die ik-figuur is deze keer Christopher Banks, een naar eigen zeggen zeer beroemde en succesvolle detective. Maar ook een met een onoplosbaar trauma: als kind groeide hij op in de "International Settlement" in Shanghai (een weliswaar idyllische omgeving, maar wel een waarin hij een vreemdeling was), als negenjarige wordt hij geconfronteerd met de raadselachtige verdwijning van zijn beide ouders, daarna moet hij in het hem vreemde Engeland gaan wonen bij zijn tante, en pas in 1937 - ruim twintig jaar later!- keert hij terug in het op dat moment door oorlog geteisterde Shanghai om zijn beide ouders terug te vinden. Wat na allerlei even absurde als verrassende plotwendingen en decorwisselingen volkomen mislukt. Zijn zoektocht naar zijn ouders, die tegelijk een zoektocht was naar de antwoorden op raadselachtige geheimen uit zijn jeugd, was vergeefs en altijd al tot vergeefsheid gedoemd. Het enige wat dit hem opleverde was het aarzelende en berustende inzicht dat hij, en sommige lotgenoten die hij ontmoet heeft, onherroepelijk van elke oorsprong zijn losgesneden. Zij zijn wezen, voor eeuwig gedoemd om vergeefs naar hun ouders en hun oorsprong te zoeken. En juist die vergeefse zoektocht is hun missie: "But for those like us, our fate is to face the world as orphans, chasing through long years the shadows of vanished parents. There is nothing for us but to try and see through our missions to the end, as best we can, for until we do so, we will be permitted no calm". Dat is uiteindelijk het treurende maar ook berustende inzicht van Christopher Banks.
Het mooie vind ik vooral hoe die verweesdheid en vergeefsheid voelbaar wordt gemaakt in de stijl en de vorm van dit boek. Het is geschreven als een lange terugblik vol gaten: anno 1958 kijkt Christopher Banks terug op zijn prille jeugdjaren in Shanghai en op zijn mislukte zoektocht in 1937, en hij doet dat in hoofdstukken waartussen soms flinke tijdsprongen worden gemaakt en totaal niet ingevuld wordt wat er in de tussenliggende jaren is gebeurd. Dat alles doet hij ook in de vorm van zeer tastend beschreven herinneringen, vol van twijfel aan de correctheid van die herinneringen, en ook vol beschrijvingen van momenten die achteraf, op basis van een hele keten van naar elkaar verwijzende herinneringen of associatieve mijmeringen, een geheel andere betekenis LIJKEN te hebben gehad. Zo wordt wel erg pregnant voelbaar dat Banks op geen enkel moment duidelijke greep had op het hier en nu van dat moment, en dat hij ook achteraf behoorlijk in het duister tast over wat er op dat moment eigenlijk aan de hand was. Bovendien vertelt hij (zoals zo veel Ishiguro-vertellers) volkomen onderkoeld over uiterst emotionerende zaken: als lezer vermoed je intuïtief de kolkende vulkanen van emoties die schuilgaan onder het oppervlak van de afstandelijke erg Engelse woordkeus, maar het lijkt soms net alsof Christopher Banks die vulkanen niet durft te zien of in elk geval niet openlijk durft te tonen. Voorts lijkt hij vaak eerder vanuit ook voor hemzelf duistere impulsen te handelen dan vanuit rationele overwegingen, want tussen de regels door merk je dat hij ook achteraf vaak niet begrijpt waarom hij deed wat hij deed. We hebben als lezer dus te maken met een ik-figuur die vele van de voor hem cruciale levensgebeurtenissen niet lijkt te kunnen duiden, en die ook weinig contact heeft met zijn gevoel en met zijn psyche.
Dit alles wordt nog verder verhevigd door het volslagen absurde, en naar de smaak van sommige lezers misschien zelfs volkomen ongeloofwaardige karakter van het verhaal. Zeer vreemd is bijvoorbeeld dat Christopher eerst in Engeland flink werkt aan zijn carrière als detective, en pas na heel veel jaren naar Shanghai terugkeert om zijn ouders weer terug te vinden. Nog vreemder is dat hij denkt DAT hij ze terug zal vinden, na al die jaren. Uitermate merkwaardig is dat hij al die jaren ook zeer gebukt ging onder de scheiding van zijn jeugdvriend Akira, maar geen enkele poging deed om dat contact weer te herstellen, ook niet zodra hij in Shanghai terug is. Nog absurder is de situatie waarin hij Akira weer terugvindt, een situatie die zo van absurd toeval doordrenkt is dat je bijna niet gelooft wat je leest. En nog veel idioter is dat hij, iets nadat hij weer van Akira wordt gescheiden, ineens zeer twijfelt: "I thought he was a friend of mine from my childhood. But now, I'm not so certain.I'm beginning to see now, many things aren't as I supposed". Een volslagen krankjorume wending, die meteen wordt vastgeknoopt aan een mijmering over de verloren jeugd: "Our childhood seems so far away now (...), our childhood becomes like a foreign land once we have grown". Fraaie, mijmerende regels, vol mooi geformuleerde onderkoeldheid, maar die mijmering en die onderkoeldheid maken de idiotie nog voelbaarder. Want het is onbegrijpelijk absurd dat Christopher ineens twijfelt of Akira wel Akira was (of op zijn minst: dat die Akira wel dezelfde Akira was als de Akira uit zijn jeugd), en het is niet te bevatten waarom hij dit toch heel dramatische gegeven - dat ook niets minder behelst dan het besef dat hij totaal is losgeraakt van zijn ooit zo idyllische jeugd- in zulke onderkoelde en afstandelijke bewoordingen formuleert. En al die onbegrijpelijkheid wordt door nog aanzienlijk meer onbegrijpelijkheid omringd, want dit alles gebeurt in het door oorlog geteisterde Shanghai, in een door Ishiguro werkelijk adembenemend beschreven sfeer van hallucinante destructie en chaos. Zodat zijn van meet af aan al absurde en vergeefse zoektocht naar zijn ouders oog, hoe symbolisch, een volmaakt absurde dooltocht wordt langs ruïnes, puinhopen, lijken, oorlogsgeweld en chaotisch verval. De wees Banks zoekt naar zijn verloren ouders midden in een verloren wereld, wat dus een dubbel verlies is van de wereld van zijn jeugd.
Deze sfeer van vergeefsheid en absurdheid wordt ook nog onderlijnd door het feit dat dit boek is vormgegeven als zichzelf uithollend detective-verhaal. De hoofdpersoon is immers detective, en beroemd, maar dan wel een detective die de voor hem meest wezenlijke raadsels niet kan oplossen. In Shanghai wordt hij - als we zijn eigen verhaal mogen geloven, althans- jubelend ontvangen: men ziet detectives als mythische bestrijders van Het Kwaad, en als Banks zijn ouders zou weervinden, dan zou dat voor veel mensen gelden als symbolische overwinning van Het Kwaad dat Shanghai bestrijdt. Maar deze detective faalt dus, juist ook als mythische figuur, en wordt daardoor bijna tot een soort mythische figuur van vergeefsheid en mislukking. Ook al omdat de WERKELIJKE oorzaken van de verdwijning van beide ouders heel anders blijken te zijn dan hij altijd had gedacht, en omdat ook die oorzaken weer een niet na te vertellen zo absurde verknoping van boosaardige moedwil en misverstand blijken te omvatten.
Veel mensen zullen dit boek al te ongeloofwaardig en absurd vinden. Maar ik vond het sterk juist door de absurditeit, juist geloofwaardig door de ongeloofwaardigheid. Ook onze levens hangen immers van ongeloofwaardig lijkende moedwil en misverstand aan elkaar, en dan leven wij nog niet eens in een door oorlog getroffen gebied. Ook wij hebben ons te verhouden tot onze mislukkingen, net als Christopher Banks. Geen gelul, mensen: ook ons lot is het om "to face the world as orphans". En die menselijke conditie wordt in dit boek mooi weergegeven, ook - aan het eind van het boek- op een mooie, berustende toon. "Remains of the day" en vooral "Never let me go" vond ik sterkere Ishiguro's, maar ook dit boek heb ik weer met bewondering gelezen.