Lezersrecensie
Wat we veronachtzamen
- De wereld zoals wij die nu kennen is veranderd ten gevolge van klimaatverandering – zeespiegelstijgingen en een enorme tsunami – en een grote ontwrichting die na 2030 heeft plaatsgevonden. Oorlogen tussen voorheen bevriende naties hebben plaatsgevonden, terwijl vroegere vijanden zoals Israël en Saoedi Arabië zich hebben verenigd. De wereldbevolking is gedecimeerd. Het vroegere Groot-Brittannië bestaat nog slechts uit enkele kleine eilanden. De globale economie is geïmplodeerd en grote steden zijn grotendeels op zelfvoorziening aangewezen. Universiteiten behalen hun inkomsten uit het toelaten van ongekwalificeerde buitenlandse studenten. New Lagos is een van de meest toonaangevende steden waar de digitale wereld is geconcentreerd. Er komen nauwelijks nog volledig witte mensen voor op de wereld, de meerderheid heeft een gekleurde huid in allerlei tinten bruin.
Tom Metcalfe, literatuurwetenschapper aan de universiteit van South Downs, onderzoekt archieven van ruim een eeuw geleden. Daarbij stuit hij op verhalen over een onwaarschijnlijk briljant gedicht. Hij raakt geobsedeerd door dit gedicht-in-vijftien-sonnetten, geschreven door ene Francis Blundy: A Corona for Vivien. Een corona is een dichtvorm waarbij de laatste regel van een sonnet de eerste regel wordt van het volgende sonnet, in Nederland ook wel kransgedicht genoemd. Het zou zijn geschreven ter ere van de verjaardag van Blundy’s toenmalige vrouw Vivien en slechts één keer zijn voorgedragen. Uit hun e-mails, aantekeningen en dagboeken blijkt dat de aanwezige personen zeer onder de indruk zijn van het werk dat mythische proporties krijgt. Zo leest de onderzoeker:
“Your corona is a monument to a threatened biological civilization. It’s not only the poems brilliance that strikes me, but it’s greatness.”
Hij leert dat het gedicht een handgeschreven unicum is, dat na de presentatie aan Vivien is overhandigd. Maar waar heeft zij het gelaten?
Vivien heeft een tamelijk promiscue leven geleid, zo maakt Tom uit haar dagboeken op. Aquisiteur en Francis’ redacteur Harry Kitchener is lange tijd een van haar minnaars geweest. Hij is nota bene de zwager van Blundy. Daarmee denkt Metcalfe de heilige graal gevonden te hebben en gaat hij op zoek naar de Kitchener archieven. In 2039, drie jaar na ‘de grote vloed’, zijn de archieven veilig opgeborgen in de op hoogte gelegen universiteit van Adnamurchan, op een eiland in het huidige Schotland.
Steeds meer informatie komt naar boven over A Corona for Vivien. Zo zou Blundy zijn omgekocht door lobbyisten van fossiele industriebedrijven. Hij zou geld hebben ontvangen voor het verzwijgen van de ernstige bedreiging van het klimaat.
Ondertussen gaat het dagelijks leven door. Tom en zijn vrouw Rose geven colleges literatuurwetenschappen. Ten gevolge van vergevorderde technologie kunnen studenten nauwelijks nog lezen, laat staan een eigen mening vormen of een kritische beschouwing schrijven. Als Rose dat aan haar studenten voorhoudt, reageert de woordvoerder van de groep als volgt:
“Enough of what you think we’ve lost. Enough of some war a computer started a hundred years ago. Or thousands of seamen jumping off a sinking ship and getting eaten by sharks. We want to talk about now, what we actually have, not what we don’t have, what we can hope for, about who’s doing all the thinking now, not then.”
Hierna besluit Rose, ondanks de stevige knauw die haar relatie met Tom heeft opgelopen nadat zij juist met deze ene spreekbuis het bed heeft gedeeld, onbetaald verlof te nemen en zich bij Toms onderzoek aan te sluiten. Dan blijkt dat Vivien en Francis partners in crime zijn geweest, letterlijk. Niets is meer wat het lijkt.
In What we can know schetst McEwan een toekomst waar velen van ons, eenentwintigste eeuwelingen, voor worden gewaarschuwd als we ons gedrag en onze mateloze consumptie niet aanpassen en de signalen van klimaatverandering negeren. Dat gebeurt allerminst op een belerende manier. Bepaalde ontwikkelingen, zoals bijvoorbeeld het afnemende lees- en taalniveau van studenten, mede ten gevolge van kunstmatige intelligentie, zijn ook nu al klip en klaar. In het verhaal blijft het in het midden of het ruim honderd jaar van nu zoveel slechter is. Het is anders. Weliswaar is de soortenrijkdom van flora en fauna uitgedund, maar halen mensen het bijvoorbeeld niet meer in hun hoofd voor een kort genotmoment duizenden kilometers te vliegen. De auteur laat de lezer nadenken over wie wij zijn, wat belangrijk is in ons leven, ‘waartoe wij op aarde zijn’. Zoals we dat van hem gewend zijn, doet hij dat op virtuoze wijze.