Lezersrecensie
Obees boek
Hoe vluchtig is het literaire leven geworden. Garth Risk Hallberg was dé literaire hype vóór Emma Cline. Of Emma ook daadwerkelijk meer centjes op haar rekening kreeg gestort dan Garth weet ik niet (zou natuurlijk wel moeten als Het Voorschot brandstof is voor de publiciteitsmachine – it takes money to make money – maar het interesseert mij onvoldoende om het te googelen), maar als je het terug gaat rekenen naar bedrag per bladzijde of woord, kan het bijna niet anders dan dat Cline de betere deal uit het vuur heeft gesleept. ‘De Meisjes’ is immers slechts een bescheiden kinderkopje naast de stoeptegel ‘Stad in Brand.’
Door deze omvang en ook omdat Hallberg zich te buiten gaat aan belegen postmoderne spelletjes (waarover later meer) lijkt Stad in Brand zich te willen voegen in het rijtje Pynchon, DeLillo, Gaddis en David Foster Wallace, maar omdat hij omdat hij louter een realistisch verhaal lijkt te willen vertellen, is de meest voor de hand liggende voorganger misschien wel ‘Vreugdevuur der IJdelheden’ van Tom Wolfe. Waar Wolfe als journalist een urgente, hedendaagse roman over New York wist te schrijven (iets wat misschien alleen maar mogelijk was in het pre-digitale tijdperk) die voor tijdgenoten het gevoel opriep dat het er zo wel aan toe moest gaan in het verre en vreemde New York, weet Hallberg met veel oog voor detail (de playlist met Donna Summer en Patti Smith, de beruchte ‘Ford to city: Drop Dead’ krantenkop, punkconcerten, Times Square vol peepshow en pornobioscopen) het historische New York van midden jaren zeventig, dat hij zelf nooit gekend heeft, tot leven te wekken . Hallberg kruist alle hokjes vakbekwaam aan (Ladies and Gentlemen: The Bronx is Burning van Jonathan Mahler staat niet voor niets op lijst met geraadpleegde literatuur) en de lezer vermoedt dat het inderdaad zo wel eens geweest zou kunnen zijn. Hallberg lijkt een betere schrijver dan de journalist Wolfe, maar voor tegenover iedere rake omschrijving en goed getroffen beeld, staan vele afzwaaiers, regelrechte missers en blindgangers. Hij heeft onmiskenbaar talent, maar zet het zo ondoelmatig in dat het lijkt of hij (zoals Auke Hulst terecht opmerkte in zijn recensie voor NRC) een muur van beelden en uitweidingen tussen de lezer en het verhaal optrekt. Vaak neemt Hallberg drie pagina’s tijd om iets te vertellen wat hij ook in drie zinnen had afgekund, of helemaal niet. Er tiert en woekert nogal wat uitleggerig proza (vooral maar zeker niet uitsluitend in de dialogen) in ‘Stad in brand,’ dat ook weggesnoeid had kunnen worden. Hallberg moet hebben gedacht dat omvang gelijk staat aan kwaliteit en bij de uitgeverij is er niemand geweest die hem dat uit het hoofd kon of wilde praten.
Hoewel de romanwerkelijkheid op gezette tijden wordt doorbroken met teksten (in afwijkende lettertypes, soms met illustraties, zogenaamd authentieke koffieringen of handgeschreven) lijkt dit voornamelijk bedoeld als literair spierballenvertoon. Conceptueel blijft Hallberg volledig binnen zijn comfortzone van commerciële fictie, royaal dichtgestreken met een kwaliteitssausje. Het journalistiek stuk (van de hand van personage Richard Groskopf) over de vuurwerkmakers behoort tot de hoogtepunten van de roman (hoewel meer in de geest van Gay Talese dan in de beoogde new-journalism stijl van Tom Wolfe), maar een compleet gestencild punkfanzine voelt als een geforceerde en al te eerbiedige pastische. Waarschijnlijk leuker om te schrijven dan om te lezen. Merkwaardig dat Hallberg met een dergelijke respectvolle reconstructie de iconoclastische punkethos probeert te vangen en nog veel merkwaardiger dat de ironie van de hele onderneming hem volledig lijkt te ontgaan. Waar het postmodernisme zich alleen op meest banaal mogelijke manier in deze roman manifesteert, lijkt ook het modernisme er merkwaardig weinig vat op te hebben. Om zijn uiteenlopende cast van personages bijeen te houden maakt Hallberg wel erg royaal gebruik van Dickensiaanse toevalligheden, opzichtige plotingrepen en geforceerde verbanden.
Ondanks al mijn bedenkingen bleef ik stug doorlezen omdat recensies mij in het vooruitzicht hadden gesteld dat de laatste honderdvijftig bladzijden waarin de New York black-out van juli 1977 beschreven worden, een soort tour de force zouden zijn. Deze belofte werd maar ten dele waargemaakt. Als een ware regisseur weet Hallberg door knap snijden en monteren alle verhaallijnen min of meer bevredigend samen te brengen, maar op veel plekken schemert de grondverf van de constructie al te duidelijk door het verhaal heen.
Als dit nu het resultaat is van de fascinatie van schrijvers voor televisieseries en dvd boxen, dan hoop ik dat ze weten dat er een knop op hun tv is, die hun zo uit de puree haalt. Een bepaalde manier van vertellen kan misschien beter overgelaten worden aan tv en duizend bladzijden is toch echt veel te veel voor een boek dat boek dat misschien niet echt slecht is, maar zeker ook niet echt goed is.