Lezersrecensie
doorwrocht grunbergsiaans
Grunberg, Arnon
Vriend & vijand; decadentie, ondergang en verlossing.- Amsterdam: Prometheus, cop. 2019.-109 pagina's, 18 cm.
ISBN 978 90 446 39889
Deel uit de door Frank Meester en Coen Simon geïnitieerde serie Nieuw licht, waarbij schrijvers van nu een oude, filosofische, tekst interpreteren.
Grunberg las Het begrip politiek van Carl Schmitt. Het betreffende fragment is opgenomen in de uitgave. Schmitt is door zijn connecties met de machthebbers uit het Derde Rijk een omstreden figuur, die nochtans auteur was van dit invloedrijke geschrift.
Grunberg verdeelt zijn essay in vijf hoofdstukken, te weten 1.De mensheid en haar bondgenoten, 2.Het geweld, de gemeenschap en de geschiedenis, 3.Wat is het politieke? 4.Theologie. En 5.De dood van de vijand. Hij geeft een persoonlijke analyse waarin hij Walter Benjamin (Zur Kritik der Gewalt), Jacques Derrida (Kracht van wet), Hans Keilson( In de ban van de tegenstander), Jacob Taubes (Briefwechsel) en Marc de Wilde (Verwantschap in extremen) aanhaalt.
Het fragment uit Het begrip politiek heeft als ondertitel: Het vriend-vijandonderscheid als criterium van politiek. Schmitt stelt in het fragment dat het politieke en de politieke beslissingen niet per se gelijk op gaan met het vriend- vijandonderscheid. En evenmin met ethische of esthetische normeringen. Of met het economische. Je kunt heel goed zakendoen met je vijand. 'Hij, de vijand, is immers enkel de andere, de vreemde en tot zijn essentie behoort niets anders dan dat hij in een bijzondere en existentieel iets anders is en vreemds is, zodat in het uiterste geval conflicten met hem mogelijk zijn, die noch door een van tevoren opgestelde normering, noch door de uitspraak van een 'niet betrokkene' en daardoor 'onpartijdige' derde beslecht kunnen worden(p.103).
Grunberg stelt in het eerste hoofdstuk dat 'de mensheid' als categorie niet bestaat, ofschoon daarin, samen met 'de eeuwige vrede' wel geloofd werd op zijn Montessorischool in Amsterdam. Als het op school zou lukken de vrede te bewaren, dan zou de rest van de wereld misschien ook volgen, zo was de gedachte. In feite, denk ik, worden jonge kinderen altijd zo opgevoed, wat in schril contrast staat met hoe ze als volwassene in de maatschappij moeten functioneren. Dan moet er geveinsd worden om onderling de goede vrede te bewaren. AG stelt dat de groepen rechts populisten weigeren te veinzen. In de min of meer goedbedoelde hypocrisie herkende dat deel van het electoraat juist een middel tot onderdrukking. De vrome leugens van de kerk zijn voortgezet door de zg 'linkse kerk'.
Schmitt stelt dat 'de mensheid' geen oorlog kan voeren omdat zij geen vijanden heeft. Dit vindt AG minder evident in onze tijd waarin milieurampen door klimaatverandering voorzien zijn die iedereen kunnen treffen. Ook de robotisering en A.I. kunnen als vijand gezien worden.
In een frivole maatschappij zonder vijanden kent men de ernst van het leven niet. Een staat zonder vijanden heeft geen bestaansrecht (geen samenbindend verhaal). En, die mythes verwijzen meestal naar een apocalyps, met het bijbehorende messianisme.
In het tweede hoofdstuk stelt AG dat Carl Schmitt een apocalyptisch denker was en dat in het marxistisch messianisme van Walter Benjamin sporen van messianisme te vinden zijn. De parallellen van onze tijd met die van een eeuw geleden, cq de tijd van Schmitt en Benjamin, zijn talrijk en in het oog lopend. Er bestaat een dreiging voor vernietiging/ondergang door klimaatverandering wereldwijd, het op drift raken van mensenmassa's daardoor, maar ook door geweld, het uiteenvallen van de democratie. De democratie die overigens door geweld ontstaan is. Geweld moet soms gebruikt worden wanneer er niet meer te praten valt. De staat fungeert als een katalysator van het geweld binnenslands. De staat heeft het alleenrecht op geweld. Dient als katechon (uitstellende kracht) van de eindtijd, de apocalyps in Christelijke termen, wanneer alles uiteen zal vallen.
In Wat is het politieke? werkt AG dit verder uit. De staat is niet gelijk aan het politieke, behalve in staten met een absolute heerser of met een één partijen stelsel. Waar partij en staat één zijn of bezig zijn één te worden, zijn vijanden van de partij automatisch staatsvijanden(p34). Op die manier kunnen ook de vijanden (het andere) binnen de staat onderdrukkend bestreden worden. De machthebber zal zich niet meer hoeven houden aan het adagium van rust en vrede binnen de staatsgrenzen. Hier voegt Grunberg het verhaal van de grootinquisiteur uit De gebroeders Karamazov in om duidelijk te maken dat in een wereld met een afkeer van revolutie, waar rust en vrede heerst, er een is waar de massa dom gehouden wordt en vermaakt. De prijs voor de vrede is het ontbreken van ernst. Alleen wat uitverkorenen kennen de waarheid. In dit geval is dat het ongeloof van de grootinquisiteur. Het volk heeft de zogenoemde brood en spelen van het geloof. Deze paradox uit zich volgens AG ook in onze tijd door het vermaak te verheffen tot iets dat alomtegenwoordig is. Met verwijzing naar Trump, Wilders en Quentin Tarantino beschrijft hij kort de verwording van de ernst tot vermaak. En, met aanhaling van Walter Benjamin, de historische context: So steht es um die Aestisierung der Politik, welche der Fascismus betreibt . Der Kommunismus antwortet ihm mit der Politisierung der Kunst(p 64). En, resumerend en terugkerend naar Schmitt, die de laatste was die de ernst nog serieus nam: Hoe erg is het dat wij het alomtegenwoordige vermaak moeten wegkauwen? Het vermaak is immers het offer dat wij moeten brengen voor onze (regionale) veiligheid. Wij willen niet onszelf in de waagschaal stellen door in een oorlog ons leven te riskeren.
In Theologie onderzoekt AG hoe het kan dat politieke fenomenen zich louter laten begrijpen in theologische denkfiguren en metaforen. Althans, dit is wat De Wilde in zijn vergelijk van Schmitt en Walter Benjamin ontdekte. De belangrijke denkfiguur hierin is de Katechon, hier gebruikt voor het uitstellen van de catastrofe. De apostel Paulus gebruikt het begrip in zijn brief aan de Tessalonicenzen(2:4-6) die gaat over de eindtijd, de tijd voor Christus' wederkeer, die zal eindigen in chaos en ellende. De katechon is datgene wat de eindtijd tegenhoudt. De eindtijd houdt in dat de antichrist terugkomt en daarmee ook de wederkeer van Christus. De katechon, zo betoogt AG, is bij ons gelegen in de EU, die immers waakt over de totale wetteloosheid. En verder stelt hij de vraag of wij de tegenhoudende macht ergens anders moeten zoeken of ons desnoods maar moeten verzoenen met de komende eindtijd.
In De dood van de vijand behandelt AG het fictionele essay van Hans Keilson In de ban van de tegenstander (Der Tod des Widersachers, 1959) Grunberg vindt dat het lijkt of Keilson met Schmitt in gesprek gaat. Keilson's boek handelt over een jongen die op het voetbalveld gemaltraiteerd wordt door een zekere B (in wie we moeiteloos Hitler herkennen). Het woord jood valt geen enkele keer, maar het is duidelijk een joodse jongen die op 't laatst terugslaat (de andere kinderen uit het elftal die, opgezweept door de anti-propaganda van B, hem schoppen en slaan) en daarop het veld definitief moet verlaten. Keilson haalt hiermee, volgens AG, de drogreden van Schmitt onderuit, dat een politieke vijand geen persoonlijke hoeft te worden. Een persoonlijke vijand kan beter bestreden worden.
De laatste bladzijden van het essay zijn gewijd aan de passie waarmee persoonlijke vijandschap wordt onderhouden. 'De diepste basis van ons bestaan', zegt Keilson, 'openbaart zich in de manier waarop ik tegenover mijn vijand sta' En: 'Zolang hij mij kon bestrijden, had hij vaste grond onder de voeten. En ook: 'Hij heeft zichzelf nooit gekend. Ik heb in hem liefgehad wat ik in mijzelf niet kon vernietigen'. Ofschoon Grunberg in zijn essay vooral ingaat op het politieke en de kracht/onmacht van de staat, zijn het toch deze laatste zinnen die maken dat je bij het lezen ervan een psychologisch switch maakt en bij jezelf te rade gaat over persoonlijke vijanden. Want, dicht G. Keilson toe: 'Er kunnen en mogen geen wetten bestaan die het menselijke onvermogen ontkennen. Zoals de giraffe niet geboren is om te vliegen, zo is de mens niet geboren voor vriendschap'.In die zin zou de mens dus eerder geboren zijn voor vijandschap dan voor vriendschap. Maar, G eindigt met de woorden: Zeker is dit: soeverein is wie zich niet laat definiëren door zijn vijanden noch door zijn behoefte aan vijandschap, die in ons mensen brandt als een gruwelijk maar onontbeerlijk vuur. We wisten het al: Grunberg heeft geen al te hoge pet op van de mens en zijn menslievende vermogens. Deze laatste zin, hier cursief, schets dan toch nog een beeld van hoe het wel