Lezersrecensie
Na Sartre nu Rothko
Cohen-Solal, Annie
Mark Rothko/ Annie Cohen-Solal; vertaling uit het Frans door Reintje Ghoos, Judith Wesselingh en Jan Pieter van der Sterre.- Amsterdam: Meulenhoff, .- 300 pagina's, 16 ongenummerde pagina's platen: illustraties; 22 cm.
Vertaling van: Mark Rothko..- Met index, literatuuropgave
ISBN 978 90 290 9024 7
Annie Cohen-Solal schreef drie studies over het Amerikaans abstracte expressionisme waarvan dit het tweede deel is. Het boek gaat dan ook niet zo uitgebreid in op de familieomstandigheden en verwikkelingen, maar meer op de ontwikkeling van de kunstenaar, de mensen die een rol speelden bij die ontwikkeling, zoals galeriehouders, collega- kunstenaars, mecenassen , musea en kunstenaarsverenigingen.
Mark Rothko werd in 1903 geboren in Daugavpils als Markus Rothkowitz, in het grensgebied tussen Letland, Litouwen en Polen. Als driejarig jongetje bezocht Marcus al de Talmoed Thora school. Cohen-Solal trekt steeds de parallel met deze vroege studieuze periode met de latere ontwikkeling in het schilderkunstig werk van Rothko. In 2013 werd er in Daugavpils een kunstencentrum geopend ter herinnering aan de beroemde schilder.
Toen de pogroms begonnen emigreerde de familie naar de VS, waar ze zich aan de westkust, in Portland, vestigde. Ze leefden te midden van een Joodse gemeenschap en Markus was al op de middelbare school iemand die in de schoolkrant revolteerde tegen het schoolsysteem. Deze houding zette door aan Yale, waar hij met een beurs kon studeren. Hij hoorde niet echt bij het clubje medestudenten die rijke ouders hadden en van wie het bedje gespreid leek. Markus verliet daarop de universiteit, teleurgesteld in wat hij daar kon leren. Hij had inmiddels kunnen kennismaken met de schilderkunst. De kunst heeft hij daarna niet meer vaarwel gezegd, behoudens een jaar respijt om een boek te schrijven. Volgens Cohen-Solal koos hij vanuit sociaalpolitieke redenen voor de kunstenaarsrol. Ze wijst erop dat, met de opening van het MOMA in 1929, waarin Alfred Barr een 'transnationale ruimte' creëerde en Europese kunstenaars exposeerde. De Amerikaanse kunstenaars konden door zijn modernistische visie snel een plaats veroveren. In 1938 opende door toedoen van president Roosevelt een nationale beweging die tot doel had om het land te laten kennismaken met een puur lokaal artistieke cultuur Kunstenaars als Pollock , Willem de Kooning en Orson Welles participeerden in sociale intitiatieven als muurschilderingen en onderwijs. Welles gaf les aan kinderen in Harlem. Beide andere heren hielpen collega's met het maken van de muurschilderingen.
Rothko hoorde bij een groep The Ten, intellectuelen en kunstenaars die tekeer gingen tegen de bestaande instellingen. Ze discussieerden over Cezanne, Matisse, Soutine en Picasso. Het expressionisme werd geijkt door de journalistiek, zij het in pejoratieve zin. Het Whitney Museum voor hedendaagse, Amerikaanse kunst werd opgericht. Kunstverzamelaars als de joodse Steins en de Stieglitz begonnen hun verzamelingen op te bouwen en hun, van oorsprong Europese, cultuur naar buiten toe te laten gelden.
Rothko maakte een ontwikkeling door in zijn schilderkunst voordat hij uiteindelijk zeer beroemd werd met zijn grote abstract expressionistische doeken. Hij schilderde eerst figuratief, toen vanuit de mythologie, daarna surrealistisch en 'multiform'.
Ortega y Gasset verwoordde de ontwikkelingen in de schilderkunst als volgt: 'Eerst werden de dingen uitgebeeld, daarna de gewaarwordingen en tenslotte de ideeën'. Rothko zwoegde een tijdlang voort door de verschillende stromingen om uiteindelijk zijn ultieme vormtaal te vinden.
Hij kreeg veel erkenning, ook door toedoen van mecenaten en vertrouwensfiguren uit de kunstwereld. Katherine Kuh, curator en galeriehouder in Chicago deed veel om de publieke opinie richting hedendaagse kunst te beïnvloeden. Zij was belangrijk, ook voor Rothko.
Rothko werkte samen met o.a. Clifford Still, Barnett Newman, Willem de Kooning en Robert Motherwell in een groep die zich de Irascibles noemde. Vrij vertaald de korte lontjes, een groep kunstenaars die het allemaal anders wilde doen en daarvoor erkenning vroeg. Velen van hen zijn internationaal doorgebroken en rijk geworden door hun kunst.
Dat laatste, het succes dat Rothko uiteindelijk toekwam, is tevens e bron geweest van zijn voortdurende innelijke strijd. Het meest aansprekende voorval dat die strijd representeert is dat van de Seagram murals. Er was een zeer duur en deftig gebouw neergezet in New York, met een grote eetzaal. Voor deze eetzaal zou Rothko muurschilderingen maken in zijn laatste stijl. Hij ging er eten met zijn vrouw Mel en besloot dat zijn schilderingen niet tot hun recht zouden komen in een omgeving van rijke patsers die de 'murals' louter als decoratie zouden opvatten. Hij trok zich terug uit het project. De murals kwamen later in het bezit van Tate Gallery in London.
In Engeland beleefde Rothko sowieso een gelukkige tijd, in St Ives in Cornwall, waar hij veel erkenning kreeg van de kunstenaarsgroep die zich daar had gevestigd. Er waren plannen voor een speciale ruimte, een museum, aldaar. Dat laatste is niet doorgegaan. Wel is de Rothko Chappel gerealiseerd, in Houston, met het geld van rijke bewonderaars. Een achthoekige ruimte waarin, bij gedempt licht, schilderijen te zien zijn voor de mensen die de moeite nemen er heen te reizen. Een stille, meditatieve sfeer omgeeft er de kunstwerken. Precies zoals R. het bedoeld had. De Seagramm murals bevinden zich, zoals ik laatst heb kunnen ervaren, in Tate Modern ook in een, half afgesloten, ruimte in gedempt licht.
Rothko werd, na zijn scheiding, zeer depressief. Hij pleegde zelfmoord in 1970, op 67-jarige leeftijd. Hij had twee kinderen, Christopher (1963) en Kate (1950)., die zich inspannen voor de nalatenschap van hun vader.