Lezersrecensie
Gastvrijheid versus rouw
Derrida, Jacques
Over gastvrijheid-Jacques Derrida+ met een naw. Van Anne Dufourmantelle; vert. Walter van der Star.- Amsterdam: Boom, cop. 1998.- 134 p.; 20 cm.- (Boom essay)
Vert. van: De l'hospitalité.- Paris: Calmann-Levy, cop. 1997, en Cosmopolites de tous les pays, encore un effort.- Paris: Galilée, cop. 1997.- voorafgegaan door: Kosmopolieten aller landen, kop op!/vert. Rokus Hofstede.
ISBN 90-5352 399 5
Twee colleges van Derrida over gastvrijheid, voorafgegaan door een rede, uitgesproken in Straatsburg, op een congres over vluchtsteden.
Anne Defourmantelle was als student aanwezig bij de colleges over het onderwerp. In de epiloog plaatst zij het onderwerp in een breder kader. Zij plaatst kanttekeningen bij de hedendaagse medische ethiek, die de grensgebieden van het leven: geboorte en dood, heeft overgenomen. Zoals Derrida meent, zo schrijft zij, dat het graf onlosmakelijk is verbonden met de taal, omdat je altijd je woorden en je doden met je meedraagt. Wat gebeurt er dan met de intimiteit en de rust van het lijden en van de rust van het 'thuis'?
Derrida begint zijn college met verwijzing naar Kants 'Zum ewigen Frieden', waarin de absolute gastvrijheid geboden wordt. 'niemand heeft meer recht dan een ander om op een bepaalde plaats te zijn. Dit is De Wet. De geschreven wetten, zie praktische consequenties, zijn gedragsregels van alledag, die genuanceerder deze Wet zoveel mogelijk toepassen.
Derrida wijst op de beschrijving van Benveniste, in Le vocabulaire des institutions Indo-Européennes, waarin de genese van het woord hostis de stammen van zowel het woord voor (meester van de) gast, hospes, bevat, als voor vreemdeling of vijand.
Derrida onderscheidt in hoofdstukken over 'Het vraagstuk van het vreemde' en 'Stappen over de drempel van de gastvrijheid'. In beide hoofdstukken haalt hij, behalve citaten uit de bijbel en andere bronnen, vooral ook de antieke literatuur aan, t.w. Plato's drie dialogen over de dood van Socrates en Sophocles' 'Oedipus in Colonnos' aan. Dit gaat in spiralende betogen, die zijn overwegingen over gastvrijheid ondersteunen. Derrida nuanceert, versterkt en gaat soms uit van meervoudige betekenissen, zoals bij het woord hostis. Hij wijst op het onderscheid, in Athene in Plato's tijd, tussen gastrecht en bezoekrecht. Het bezoekrecht betrof de 'barbaroi' van buiten Hellas en was een afgezwakte vorm van het gastrecht waarbij vaak ook verwanten of goede bekenden betrokken waren. De vreemdeling die Oedipus werd na zijn vlucht uit Thebe, moest gastvrijheid/gastrecht verleend worden door Theseus, de heerser van Athene.
Derrida wijst nog fijntjes op de verhouding tussen Oedipus en Theseus, die van gast en gastheer, waarbij beiden een zekere macht hebben. Oedipus laat Theseus beloven tegen niemand iets los te laten over zijn laatste rustplaats, zelfs en vooral Oedipus' dochters Antigone en Ismene niet, als hij er zeker van wil zijn dat Athene niet aangevallen zal worden door Thebe. Zo ontlokt hij Theseus, die als gastgever in het voordeel lijkt te zijn, een eed, waardoor de verhoudingen meer evenwichtig worden. Op dit wankele evenwicht, dat naar beide kanten overschreden kan worden, progressief en agressief, wijst D. in nog een ander citaat, namelijk uit 'De wetten van de gastvrijheid' van P. Klossowski. waar de gastheer ingelijste regels voor de gast in diens gastenkamer aan de muur hangt. Uit een ander citaat uit dit werk blijkt het verlangen van de gastheer naar de gast, een onrust die alleen door de komst van de gast weggenomen kan worden. Hij treedt binnen bij zichzelf, in zijn eigen woning, via de gast.
D. wijst op het uitgesproken fallogocentrische karakter van de gastvrijheid in citaten uit Lot en Richteren, waarin de gastvrijheid zo ver gaat om de gasten te beschermen, die anders 'gepenetreerd' zouden worden door boze buitenstaanders, dat de gastheer zijn dochters dan maar aanbiedt aan die wellustelingen. In Richteren wordt de bijvrouw van de vreemdeling voor dat doel geofferd en zelfs in twaalf stukken gehakt om naar de twaalf stammen te sturen.
Terugkomend op Oedipus, die dus 'ín den vreemde' begraven wil worden en zijn dochters daarmee belast met gemankeerde rouw, omdat zij die plek niet kennen. Zij moeten door zijn actie namelijk rouwen om de hun ontzegde rouw in plaats van om hun vaders dood. Tegelijkertijd geeft hij hen hiermee onvoorwaardelijke tijd om te rouwen. De rouw is dan immers nooit voltooid. Het graf waar de geliefden rusten is met de moedertaal het anker in ons leven. De taal die aan onze voetzolen kleeft, waar we ook gaan, is verbonden met het leven en de dood van de dierbaren, die vast verankerd zijn in onze herinnering, ons opgroeien. Zij worden daardoor een voortdurend ijkpunt.
Zeer rijke tekst, met veel meer verwijzingen dan ik nu heb genoemd. Voor nadere bestudering.