Lezersrecensie
Een formidabele explosie van maffe en surrealistisch- grillige verbeeldingskracht
De Ierse schrijver Flann O’Brien (pseudoniem van Brian O’Nolan, 1911- 1966) is een geval apart. Hij is tegenwoordig niet meer zo bekend, en veel van zijn tijdgenoten vonden zijn romans onuitstaanbaar grillig en melig. Maar toch vinden vrij veel mensen hem een groot schrijver, minstens net zo groot als zijn illustere landgenoten James Joyce en Samuel Beckett. Volgens sommigen is zijn krankjorum droogkomische meesterwerk "At Swim- Two- Birds" (Op Twee- Vogel- Wad) zelfs een van de beste boeken van de 20e eeuw. Persoonlijk vind ik het inderdaad een van de meest inspirerende en hilarische odes aan teugelloze verbeeldingskracht die ik ooit heb gezien. Dollere boeken zijn in elk geval maar zelden gemaakt. Behalve dan door O’Brien zelf, die ook nog "The third policeman" schreef: zo vol van onnavolgbaar grillige en surrealistische mafheid dat geen uitgever het wou hebben. Althans, niet tijdens O’Briens leven: het verscheen postuum, en werd pas na O’Briens dood door enkele recensenten bejubeld. Wel publiceerde hij bij leven en welzijn o.a. nog "The Dalkey Archive", dat onlangs heel inventief en smakelijk is vertaald door Robert Henkes. En in dat boek, zo las ik op internet, zijn diverse motieven en personages uit "The third policeman" hergebruikt. Dat maakte mij nieuwsgierig, dus na "Het Dalkey- archief" las ik meteen "The third policeman". Dat las ik direct daarna nog een keer. En sommige passages daarna zelfs nog een keer. Want ik vermaakte mij werkelijk uitbundig, minstens zo uitbundig als met "At Swim- Two- Birds". Ik zou het daarom heel mooi vinden als dit boek in Nederland werd herontdekt. En als het weer opnieuw zou worden vertaald, door een inventieveling als Robert Henkes. Zodat diens prijzenswaardige vertaling van "Het Dalkey- archief" meteen een springplank zou worden voor een kleine Nederlandse O’Brien- golf.
De plot en stijl van "The third policeman" verrassen de lezer voortdurend: je wordt getrakteerd op de ene na de andere droogkomische en bizarre zin, en op de ene na de andere niet na te vertellen zo absurdistische verwikkeling. En op een mix van Kafkaëske bizarheid, Alice in Wonderland- achtige ongerijmdheden, science fiction- en fantasy-achtige ongewoonheden, dialogen vol geniaal gortdroge humor, hilarische afdwalingen, en prachtige passages vol vreemde poëtische verwondering. Naast alle humor is er bovendien veel angst, horror, groteske existentiële leegte en grillige tragiek. Het boek lijkt wel een absurde droom, een tragikomische nachtmerrie, of zelfs een hallucinatie van een gestorvene die niet weet dat hij is gestorven en die de wereld nauwelijks meer herkent. En die zich toch gefascineerd laat meevoeren door de onnavolgbare pirouettes van zijn grillige hallucinatoire droom. Net als de lezer, als die tenminste zijn ongeloof opschort en zich laat verleiden door de ongebreidelde verbeelding van Flann O’Brien. Zelf genoot ik van die ongebreideldheid, en van de wijze waarop O’Brien zich aan geen enkele conventie stoort en zich door helemaal niets laat inperken. Daardoor voelde ik ook voor even een ongekende vrijheid in mijn eigen hoofd, een oneindig open ruimte waarin echt alles mogelijk lijkt. En waarin dus ongelofelijk veel meer kan en mag dan in een logisch verlopend verhaal met kop en staart.
De tamelijk obscure ik- figuur van deze roman is vergeten hoe hij heet, wie hij is, en welke plaats hij eigenlijk heeft in de voor hem onbegrijpelijke wereld. Wel weet hij ons te vertellen dat hij, samen met een al even enigmatische ‘vriend’, een roofmoord gepleegd heeft, vermoedelijk om het boek te kunnen financieren dat hij wil schrijven over de raadselachtige wetenschapper en filosoof De Selby. Dat is overigens een denker met opmerkelijk excentrieke theorieën: leven en dood zijn hallucinaties, elke beweging en voortgang is een illusie, reflecties in spiegelbeelden zijn geen getrouwe reproducties van het object dat gespiegeld wordt, huizen horen geen daken en geen muren te hebben, en zo nog veel meer. En De Selby’s excentrieke denkcapriolen worden ons in aanstekelijk bizarre, soms ellenlange voetnoten opgediend. De ik- figuur zelf raakt bovendien verzeild in een barokke dwaaltocht, op zoek naar het geroofde geld. Al vergeet hij dat doel geregeld door zijn maar al te frequente afdwalingen en zijpaden. Die net zo grillig zijn als in de meest Kafkaëske droom. Dat leidt tot een even hilarische als groteske ontmoeting met het slachtoffer van de moord. Maar dan wel na diens dood. Ook ontdekt hij, op een moment van totale doodsangst en ontzetting, ineens een innerlijke stem. Dat is zijn ziel, zo neemt hij aan: hij noemt hem voor het gemak Joe, en hij zal nog vele droogkomische dialogen met hem hebben. Ook trouwens met twee buitenissige politiemannen die hij ontmoet, voor wie alles draait om fietsen en diefstallen van fietsen. Zij denken namelijk dat de chaotisch buitelende moleculen van fiets en mens vermengd raken, zodat mensen deels fiets worden en fietsen deels mens. Wat een volmaakt idiote gedachte lijkt, die ook op hilarisch idiote en omslachtige wijze wordt toegelicht. Maar in de ongerijmde wereld van "The third policeman" lijken zulke idiootheden volkomen normaal. Want niets behoudt in deze surreële droomwereld zijn vaste vorm en omlijnde identiteit. Zodat de twee maffe politiemannen ook ineens gidsen blijken te zijn naar een obscuur hiernamaals in woekerende struiken. Een hiernamaals overigens dat bereikt kan worden met een lift en dat opgetrokken is uit plaatijzer, en waarin sigaretten nooit opbranden, whiskyglazen nooit leeg raken, stevig innemende whiskydrinkers nooit dronken worden, en niemand zich ooit hoeft te scheren. Voorts is er ook een mysterieuze “third policeman”, met magische krachten: mogelijk een God, maar dan wel een volkomen groteske God van een volmaakt irrationeel universum. En in dat irrationele universum draait de tijd bovendien als een vicieuze cirkel doelloos in zichzelf rond. Zodat deze roman ook niet met een logische afronding eindigt, en geen enkel pad van A naar B doorloopt, maar op even hilarische als benauwende wijze in zichzelf ronddraait.
Een volkomen bizar boek dus, met nog veel meer grillige wendingen en krankzinnige motieven dan ik nu heb samengevat. En het is bovendien heerlijk meerduidig. Is "The third policeman" een groteske allegorie over schuld en boete, waarin de ik- figuur door zijn misdadigheid eindeloos gedoemd is te dolen in een doelloze en circulaire hel? Is het een Kafkaëske ontdekkingsreis in de irrationele werelden van grillige nachtmerries en ongrijpbare dromen? Is het een soort hyperbolisch commentaar op het arbitraire en onwerkelijke gehalte van wet en bureaucratie, belichaamd door de bizarre politiemannen? Die tegelijk wellicht ook een soort absurde gezanten zijn van het bovenwereldse, of een bespotting van elk geloof in gezanten van bovenwereldse machten? Is het een oergeestige roman die met alles de spot drijft, inclusief de dood en onze angst voor de dood, en die vrolijk alle genres mixt en parodieert? Is het een uitvergroting van de absurditeit van het bestaan, die dan belichaamd wordt in de diverse surrealistische taferelen, in de totale anonimiteit en eenzaamheid van de dolende ik- figuur, en in de bizarre theorieën van De Selby? Ik weet het niet. Misschien is het wel een combinatie van dat alles en daarnaast nog veel meer. Misschien maakt juist dat het boek extra ongrijpbaar. En voor mij ook extra aantrekkelijk.
Ik genoot in elk geval erg van de krankjorume wendingen en het krankzinnige verhaalverloop. En van droogkomisch vreemde zinnen als: “We are going where we are going […] and this is the right direction to a place that is next door to it”. Of ook: “A company of crows came out of a tree when I was watching and flew sadly down to a field where there was a quantity of sheep attired in fine overcoats”. Vooral de opstapelingen van dat soort maffe terloopsigheden werkte sterk op mijn lachspieren. Minstens even fascinerend echter vond ik de zinnen waarin de angst voelbaar wordt gemaakt voor de dood door ophanging. Zoals: “My two eyes, dancing madly in my head, raced up and down in the country like two hares in a last wild experience of the world I was about to leave forever”. Of ook zinnen waarin de ik- figuur een totale anonimiteit, eenzaamheid, vervreemding en leegte ervaart. Bijvoorbeeld: “My mind was completely void. I did not recall who I was, where I was or what my business was upon earth. I was alone and desolate yet not concerned about myself at all. The eyes in my head were open but they saw nothing because my brain was void”. Die leegte wordt nog versterkt door de maffe theorie dat iemand zonder naam niet echt leeft, en nooit echt sterft: iemand die door zijn naamloosheid niet echt bestaat kan immers ook niet ophouden met bestaan. Tegelijk echter wordt in andere passages die naamloosheid van de ik- figuur weer als een oneindige vrijheid gezien: “I am not tied down for life to one word like most people”, zegt hij zelf. Waarop zijn ziel Joe mijmert over de mogelijke naam van Signor Bari, de eminente tenor, en later een hilarisch ellenlange fantasie heeft over de oneindige glorie van deze fictieve tenor. Daarmee fantaseert hij in feite ook over mogelijke identiteiten van de naamloze en dus ongedefinieerde ik- figuur. Wat heel goed kan, juist omdat diens identiteit door het ontbreken van een naam nog helemaal open is. De anonimiteit en innerlijke leegte van de ik- figuur is dus op het ene moment tragisch en aangrijpend, en op het andere moment juist een heerlijke bron van vrijheid. Ook dat laat zien hoe grillig dit boek is.
Opmerkelijk is bovendien hoe trefzeker de ik- figuur de onwerkelijkheid beschrijft van wat hij ziet, en de ongelofelijkheid voelbaar maakt van wat hij meemaakt. De overweldigende vreemdheid van het politiebureau bijvoorbeeld wordt wel heel treffend verwoord: “I had never seen with my eyes ever in my life before anything so unnatural an appalling and my gaze faltered about the thing uncomprehendingly as if at least one of the customary dimensions was missing, leaving no meaning in the remainder”. O’Brien is ook in andere passages echt geniaal in het beschrijven van wat niet beschreven kan worden, op een manier die helemaal duidelijk maakt dat de ik- figuur en ook de lezer er niets van KAN begrijpen, terwijl het onbeschrijflijke dat beschreven wordt mij als lezer TOCH helemaal meesleept. Of mij juist door zijn onbevattelijkheid volkomen verbluft. Of mij zelfs helemaal betovert door zijn onmogelijke schoonheid.
Op enig moment vertelt een van de politiemannen bijvoorbeeld omstandig dat winden kleuren hebben, en dat sommige mensen die kleuren vroeger konden zien. Dat lijkt aanvankelijk weer zo’n absurde uitgesponnen O’Brien- grap. Maar het mondt uit in sferen van onaardse en ongeziene schoonheid: “People in the old days had the power of perceiving these colours and could spend a day sitting quietly on a hillside watching the beauty of the winds, their fall and rise and changing hues, the magic of neighbouring winds when they are inter-weaved like ribbons at a wedding. It was a better occupation than gazing at newspapers. The sub- winds had colours of indescribable delicacy, a reddish- yellow half- way between silver and purple, a greyish- green which was related equally to black and brown. What could be more exquisite than a countryside swept lightly by cool rain reddened by the south- west breeze!”. Onbevattelijk, ook door de wel heel vreemde en onnatuurlijke kleurschakeringen en kleurcombinaties, maar juist daardoor ook bizar prachtig. Later zegt deze politieman bovendien dat een andere politieman bij zijn geboorte kleding voor hem maakte in de kleuren van zijn geboorte- wind. Ook weer volkomen bizar, maar ook weer van ongeziene en onvoorstelbare schoonheid: “It was very thin and slight like the very finest of spider’s muslin. You would not see it at all if you held it against the sky but at certain angles of the light you might at times accidentally notice the edge of it, It was the purest and most perfect manifestation of the outside skin of light yellow. This yellow was the colour of my birth- wind”. Daarnaast zit "The third policeman" vol met onhoorbare muziek die ons toch betovert, met nog andere onbekende en voor het oog onbevattelijke kleuren die ons toch overweldigen, met oneindig vertakte geurnuances (dus geuren als bestanddelen van geuren die weer bestanddelen zijn van geuren) die we niet kunnen ruiken maar die ons toch verbluffen, en met steeds kleinere kistjes in kistjes in kistjes die ons tot op het bot verbazen juist omdat ze te klein zijn om te kunnen worden gezien.
"The third policeman" is kortom een onuitputtelijk boek, vol met onbevattelijk bizarre taferelen, doordesemd van absurde humor en tragische absurditeit, en tot in de haarvaten doordrenkt van surrealistische grilligheid. Dat levert bovendien vaak een onbevattelijke schoonheid op die je in andere boeken nauwelijks zult zien. Kortom: de ik- figuur kan vaak niet bevatten wat hij ziet, en de lezer kan vaak niet bevatten wat hij leest. Precies dat vind ik geweldig: ik bewonder de teugelloosheid van O’Briens verbeeldingskracht en de ongeremdheid van zijn fantasie. Ik genoot daarom zeer van dit boek, en het zal nog lang nawerken in mijn dromende hoofd.