Lezersrecensie
Uiterst vervreemdend proza over een uiterst vervreemdende dictatuur
Alle boeken van Herta Müller (Nobelprijs 2009) gaan over de verschrikkingen van de Roemeense dictatuur onder Ceaucescu. En ze maakt de plot geheel ondergeschikt aan een sfeer van angst en verstikking, die in uitermate cryptisch en vervreemdend proza wordt opgeroepen. Nachtmerrie en realiteit zijn niet meer te onderscheiden. Een volkomen gestoorde wereld wordt in volkomen gestoord proza beschreven. Elke blik bij Müller is totaal vervormd door angst, en dus is elk tafereel dat ze schetst een vervormd tafereel.
Een voorbeeld: ‘De rail piept, de tram ruist onder de huizen. Dan rijden de lichte ramen voorbij (…). De ellebogen duwen. De slaap rijdt mee, het winterzweet ruikt bitter, het licht (…) is geel en zwak en springt toch middenin je gezicht. Twee roodbruine kippen kijken uit de mand van een vrouw. Ze buigen hun hals, houden hun snavel open, alsof ze voordat ze ademhalen hun luchtpijp zoeken in hun hals’. Bij zo’n zin als de laatste denk ik: PARDON!? Kippen die hun LUCHTPIJP zoeken!? Maar het staat er echt, zoals ook echt staat dat de ramen voorbijrijden, en dat het licht zwak is en toch in je gezicht springt. Zoals er op andere plaatsen in het boek ook echt staat dat kinderen ‘wrattenkettingen’ dragen, dat ‘maïs de ganzen opvreet’, dat aan oren ‘vingers zouden moeten groeien die even snel trillen als angst’, of dat 'boomstammen door de ruit' rijden. En over zojuist afgeknipt haar schrijft ze echt: 'Het haar leefde omdat de kakkerlakken het droegen. Op de hoofden van de mannen leefde het niet'. En zo gaat het de hele tijd door: het hele boek is doordesemd van dit soort door angst en verschrikking vervormde beelden. Meteen al aan het begin is het raak: ‘De mier draagt een dode vlieg (…) De kop van de mier is een speldenknop, daar vindt de zon geen plaats om te branden. Hij prikt. De mier verdwaalt. Hij kruipt maar hij leeft niet, voor het oog is hij geen dier. Ook de peulen van het onkruid kruipen aan de rand van de stad, net als de mier. De vlieg leeft omdat hij driemaal zo groot is en gedragen wordt, voor het oog is hij een dier’. En even verderop worden populieren (en ook hun langwerpige schaduwen) ‘scheermessen’ genoemd. Als dan wordt beschreven hoe iemand barrevoets langs die populieren loopt voel je bijna hoe die scheermessen in de blote voeten snijden.
Zo besmettelijk is de angst bij Müller. Zelfs de wind is bang in dit boek, en durft van angst niet te waaien: 'De stille straten van de macht, waar de wind, als hij ertegenaan stoot, bang is. En als hij vliegt, niet wervelt. En als hij buldert, liever zijn ribben breekt dan een tak'. Müller verklaart niet, beschrijft niet, legt niet uit: ze slingert beelden in ons gezicht. Beelden die je soms wel vier keer moet bekijken, omdat je gewoon niet gelooft of begrijpt dat er staat wat er staat. Ze toont daarmee onverdund de werkelijkheid geworden nachtmerrie, een realiteit waarvan je ook niet gelooft of begrijpt dat die de realiteit is. In Hartedier en Ademschommel doet ze dat ook, maar m.i. op meer gedoseerde en daardoor meer overtuigende manier: ze doet daar, gelukkig, meer concessies aan de leesbaarheid en invoelbaarheid. In De vos was de jager dus niet, waardoor je als lezer stevig moet afzien. Het werd mij geregeld te veel. Bovendien begrijp ik van veel passages nog steeds helemaal niets.
Niettemin is de compromisloosheid van Müller ook wel weer imponerend. Diverse scènes zijn bovendien grandioos geschreven. Haar proza is zo bizar omdat ze een totaal bizarre wereld beschrijft: die wil ze tonen, zonder enige reserve. Haar stijl is dus even gestoord als de wereld die ze beschrijft. Daardoor is ook dit boek ook op zijn meest ondoorzichtige momenten fascinerend, en bij vlagen zelfs briljant.