Lezersrecensie
Verbluffend geniale mafheid
Dit boek is in 1939 uitgegeven, en van alle kanten de grond in geboord vanwege de irritante grilligheid en meligheid, maar ook zwaar geprezen door Joyce, Graham Greene, Dylan Thomas en anderen, vanwege de briljante grilligheid en meligheid. Kort geleden noemde de NRC het nog ‘een van de beste boeken van de 20e eeuw’. Zelf vind ik het geweldig: een droogkomisch meesterwerk dat volgens mij ook een inspirerend pleidooi is voor grenzeloze fantasie. Een boek ook waar ik totaal hilarisch van werd. Het is ook (goed) vertaald, als Op Twee-Vogel-Wad.
Het begin is al vrij maf: ‘Having placed in my mouth sufficient bread for three minutes chewing, I withdrew my powers of sensual perception and retired into the privacy of my mind, my eyes and face assuming a vacant and preoccupied expression’. Lang geen lelijke zin: merkwaardig plechtstatig, en de combinatie van iets banaals (kauwen van brood) met het meer verheven ‘powers of sensual perception’ geeft een apart effect. Zoals het ook apart is dat de ‘ik’ over ZICHZELF zegt dat zijn gezicht een lege en peinzende uitdrukking aanneemt. Van zoiets ga ik meteen breed grijnzen. En op die voet gaat de ‘ik’ verder: hij legt uit dat een boek wel drie verschillende openingen zou behoren te hebben, en op honderden manieren zou behoren te eindigen. Van die drie openingen geeft hij kort een voorbeeld. Ten eerste een verhaal over de Pooka MacPhellimey, een mythologische Ierse duivel die echter, opmerkelijk genoeg, vooral opvalt door zijn breedsprakige hoffelijkheid. Ten tweede de geboorte van John Furriskey als volwassene van 25, met een geheugen maar zonder ervaringen (dit wordt dan beter geacht dan het 'monotone en fantasieloze proces' waarbij kinderen steeds JONG geboren worden). Ten derde de introductie van Finn MacCool, een (uit de literatuur bekende) legendarische mythische held van reusachtige (even poëtisch als komisch beschreven) afmetingen, maar, anders dan de legende wil, ‘not mentally robust’. Aldus begint At Swim-Two-Birds, met een maffe openingsalinea en drie voorbeelden van hoe een maf verhaal zou kunnen openen. De boodschap is duidelijk: hier gaat iemand die lak heeft aan alle conventies even helemaal los. Mijn grijns werd steeds breder.
Maar het wordt nog veel gekker. De ‘ik’-figuur is een wat melancholieke, weifelende, veel uitslapende student in de letterkunde, die een fragmentarische roman schrijft over de eveneens veelslapende romancier John Trellis, die verhalen over bovenstaande personages schrijft die hij deels weer geleend heeft van ene John Tracy, die ook nog weer een optreden heeft. Verhaal in verhaal in verhaal, dus. Waarbij bijvoorbeeld de ‘ik’ ook nog stukken kort samenvat (hij is delen van zijn manuscript kwijt of wil even tempo maken), of bij andere stukken het commentaar van zijn kroegmaten erbij vermeldt. Vooral dat laatste is heel smeuïg geschreven. En tja, het boek BEGINT met drie verhalen (eigenlijk vier, want de ‘ik’ vertelt ook over zichzelf), maar die worden steeds met elkaar afgewisseld en vertakken en vertakken en vertakken EINDELOOS. En zo ontstaat een baaierd van opmerkelijk rijke verhalen. Zo word je ineens verrast met een spannend cowboyverhaal, dat tegelijk een parodie erop is: het speelt midden in hedendaags Ierland en er rijdt een tram langs (kan allebei niet, maar who cares), en er staan Dubliners bij die droogkomisch commentaar geven. En die parodie geeft juist iets extra’s: je krijgt de normale Cowboyverhalen spanning (zelfs met Indianen en al), met allerlei komische elementen (echt, ik heb nog geen tiende van de grappen verklapt) als cadeau. Zo ook in bijvoorbeeld de passages over Finn MacCool: die zijn vol van de schoonheid en poëzie die eigen is aan oude Keltische vertellingen, maar tegelijk merkwaardig komisch door de ironische ondertoon en omdat er allemaal dingen gebeuren die in Keltische vertellingen niet thuishoren. Zo komt de tot dwaasheid vervloekte koning Sweeney, een van de tragische helden over wie MacCool verhaalt, zomaar babbelzieke Dubliners en grofgebekte cowboys uit andere verhalen tegen. Waarna Sweeney, allerlei plechtstatige en melancholische Keltische zinnen uitsprekend, gaat ….. pokeren. Aan dit spel doet, uiteraard, ook een onzichtbare ‘good fairy’ mee, wat leidt tot droogkomische dialogen over in hoeverre het ethisch geoorloofd is om poker spelen zonder in bezit te zijn van een zichtbaar lichaam. Enzovoort. Ook is er een rechtszaak, met wel twaalf rechters, in een rechtszaal die tegelijk ook bedrieglijk veel lijkt op een bioscoopzaal en een kroeg. Een belangrijke getuige daarin is een sprekende koe, ‘turning her eyes about the court in a melancholy but respectful manner’ (tja, hoe zou een koe vanuit een getuigenbank naar de rechters kijken), over wie gezegd wordt ‘Her voice was low and guttural and of a quality not normally associated with the female mammalia’ . Op de achtergrond speelt een strijkje diverse aanstekelijk beschreven melodieën, variërend van klassiek tot populair.
Tja, ZO’N soort boek dus. Flann O’Brien spot vrolijk en uitbundig met alle wetten. De verhalen parodiëren zichzelf en worden doorspekt met diepzinnig en banaal commentaar van al dan niet beschonken lezers/luisteraars, de personages springen zomaar van het ene verhaal naar het andere, en komen zelfs in opstand tegen hun auteurs. Dat is op zichzelf al tamelijk komisch, en dat wordt nog versterkt door de stijl: Flann O’Briens zinnen zijn vaak pareltjes van droogkomische ironie. Ook mengt hij dus allerlei genres: Keltische poëzie met cowboyverhalen met kroegverhalen met krantenberichten met fictieve brieven met essayistiek (even platte als diepzinnige bespiegelingen over wat literatuur tot literatuur maakt) met een ik-vertelling met…. En zoals te verwachten was heeft het boek niet een eenduidig einde, maar stopt het ‘ergens’ midden in een overigens opmerkelijk ontroerend terzijde. Het boek was voor mij een enorm leesfeest, door zijn enorme humor en door zijn totaal anarchistische opzet. Alles kan in de verbeelding van O’Brien, elk genre kan met elk genre worden gecombineerd, en geen enkele conventie is voor hem heilig. Poëzie, pure jool, banaliteit, diepzinnigheid, kolder en melancholie kunnen maar zo worden gecombineerd, cowboys kunnen maar zo pokeren met Keltische helden iets nadat ze zich in een vuurgevecht vanachter een tram kranig hebben geweerd, een –uiterst beleefde- duivel kan in de discussie en in het pokerspel maar zo een – opvallend chagrijnige- ‘good fairy’ aftroeven, auteurs kunnen maar zo in personages veranderen en personages maar zo in auteurs, en commentaar op een verhaal kan maar zo deel uitmaken van dit verhaal. In de romanwereld van At Swim-Two-Birds zijn alle wetten en conventies voor even opgeschort. O'Brien geeft daarmee totaal de vrije teugel aan zijn verbeelding. Als lezer ervaar je dus voor de duur van deze roman een werkelijk duizelingwekkende vrijheid. En daarom vond ik dit boek, behalve oerkomisch, ook enorm stimulerend en inspirerend.