Lezersrecensie
De materiële saamhorigheid met de dingen (Merijn de boer, De saamhorigheidsgroep)
De saamhorigheidsgroep vertelt het verhaal van een groep linkse idealisten die overtuigd zijn van de maakbaarheid van de wereld en 10% van hun inkomen inzetten voor het goede doel. Die maakbaarheid wordt ter discussie gesteld door het tragische verhaal van twee leden van de groep die elkaar liefhebben maar geen kinderen kunnen krijgen. Ze smeden een plan om een ander lid van de groep te verleiden zodat hij zonder het zelf te weten de vader van hun kind kan zijn, maar het noodlot slaat toe als de onvruchtbare vader van het kind in de ban raakt van verlatingsangst, jaloezie en minderwaarheidsgevoelens, en gebutst achterblijft.
In structurele zin wordt het boek gedragen door een oppositie tussen het sociale – de saamhorigheid met mensen die jouw identiteit constitueren – en het materiële – de saamhorigheid met de dingen die jouw identiteit constitueren. De sociale saamhorigheid blijkt wanneer de hoofdpersoon zich afvraagt of twee mannen die op dezelfde vrouw verliefd zijn, ook daadwerkelijk op dezelfde vrouw verliefd zijn, of dat het zo is dat hun geliefde mede geconstitueerd wordt door hun individuele dromen, verlangens en projecties. De materiële saamhorigheid blijkt bijvoorbeeld wanneer een jongen bij zijn leraar op bezoek komt en uitgenodigd wordt een rood jasje met allemaal knopen en franjes aan te trekken. Zodra hij het jasje aandoet wordt hij een ander mens, begint te dansen en voelt zich diep gelukkig. Het boek lijkt te suggereren dat de sociale saamhorigheid met andere mensen jouw identiteit kan stichten maar ook kan ondermijnen, zoals de onvruchtbare vader ervaart, terwijl de materiële saamhorigheid alleen constitutief is voor jouw identiteit en niet destructief is: “Bernhard hing op en struinde door zijn kamer. Op de tafel lag de fedora. Tijdens de vakantie had hij hem op de hoedenplank laten liggen. Hij had aangevoeld dat het niet een hoed voor op de camping was. Nu zette hij hem na die lange onderbreking weer op. Hij bekeek zichzelf in de spiegel. Dit is wie ik ben, dacht hij” (277). Hoewel ik niet geloof dat dit onderscheid staande kan worden gehouden – je kunt toch ook te gronde gaan aan een totem – rehabiliteert het verhaal een begrip van materialisme dat de rol van de dingen in mijn bestaan erkent, zonder daarmee direct in de aberratie van het kapitalisme te vervallen (voor meer blogs over filosofie en literatuur: https://vincentblok.wordpress.com/).