Meer dan 7,1 miljoen beoordelingen en recensies Organiseer de boeken die je wilt lezen of gelezen hebt Het laatste boekennieuws Word gratis lid
×
Lezersrecensie

Tsjechov en zijn ontwikkeling

wemkok 24 januari 2026
Een selectie maken van de verhalen van Anton Tsjechov is niet eenvoudig, er zijn er meer dan 350. De ‘beste’ 30 verhalen in deze Atheneum uitgave uit 2021 vertaald door Hans Boland maakt nieuwsgierig, maar wordt verder niet verantwoord.

De verhalen van Tsjechov hebben een klassieke opzet, met een introductie waar de personen snel met enkele typeringen worden neergezet. Net als bij Flaubert kleurt de omgeving de gebeurtenissen. Er zit echter ook veel ‘eigens’ aan Tsjechov, er is bijv geen moment dat er niet ergens over nagedacht wordt, er is nergens rust. Kennen we Tsjechov zoals we mogelijk denken dat hij ons kent ? Over de kennis van mensen en hun beweegredenen: Caroll Apollonia, een Amerikaanse Tsjechov kenner, noemt in een bespreking in Times Lit Suppl wat Tsjechov er zelf over vindt als iemand zijn beweegredenen probeert te duiden: ‘Yet even in autobiographically tinged works of fiction, as Chekhov often said, “the soul of another is darkness”. Dit zie je Virginia Woolf ook zeggen, in de tijd van Jacob’s room, waar ze afstand neemt van de door een schrijver opgelegde blik, maar juist zij en Tsjechov trachten de aanwijzingen te geven waar de lezer zelf maar een conclusie over moeten trekken.

De verhalen zijn chronologisch in volgorde gezet - tussen 1887 en 1903- met de laatste verhalen voorin, een Dorian Gray portret gelijk bijna. Ik wil echter graag inzicht, is er ontwikkeling, wat verandert er aan de verhalen en kan ik Tsjechov (de persoon en zijn verhalen) daardoor beter begrijpen. Daarom las ik het van achter naar voor.

Er is zeker ontwikkeling te zien, de verhalen worden namelijk langzaam aan complexer, aangevuld met nieuwe elementen, en vooral meer sturing. Waarom handelt iemand zoals hij of zij doet, uit eigen overtuiging of omdat het door anderen opgelegd wordt. Bij Tsjechov zijn de eigen ingevingen uiteindelijk belangrijker, maar hij verkent ook de paden van het stoïcijnse leven (in ‘Zaal 6’, niet opgenomen in deze bundel), of breekt zijn hoofdpersoon los van zijn opgelegde leven, zoals in ‘De letterkundeleraar’ (1894) waar de hoofdpersoon wordt geconfronteerd met de idee dat hij niet leeft. Het echte leven, daar moet voor geleden worden, net als het brood wat men eet meer smaakt als er voor gewerkt is. Hij wil dan zijn huwelijk opgeven en vluchten. Hier zit zelfs Schopenhauer in, met het idee dat men zich maar verveelt na iets bereikt te hebben en dat men om vitaal te blijven steeds weer nieuwe uitdagingen moet opzoeken.

De eerste verhalen zijn nog situaties, die beschreven worden. Een ongelukkig geval (1889) over de arts Ovtsjennikov die zijn ziekenhuis werk niet meer aan kan met de tegenwerking van zijn hulparts en het districtsbestuur die het allemaal toelaat. Vrouwvolk (1891) schetst de mannelijke stompzinnigheid en wreedheid, en de onderlinge band tussen vrouwen die er het slachtoffer van zijn. De principes worden daarmee wel zichtbaar maar niet besproken.
In De grote en de kleine Volodja, (1893), een prachtig opgebouwd verhaal, wordt de geestesgesteldheid van Sofja onderzocht, op de dag dat ze ‘uit depit’ getrouwd is met de oudere kolonel Volodja en in de trojka door de nacht gaat met zowel de oudere als jongere Volodja, op wie ze eigenlijk verliefd was. Haar onrust waarmee ze de paarden aanspoort vindt haar tegenpool in Olja die in het klooster is getreden, eigenlijk wil ze ook een Olja zijn maar haar gevoelens zijn te sterk, ze lijkt haar lot te moeten volgen en erin berusten. Boerenvolk (1896) heeft, net als Vrouwvolk (1891), het thema van de onderworpenen, de armoede, al is er hier al meer sprake van oneerlijke verdeling van economische situatie als oorzaak van vele problemen, en is de hoofdpersoon Nikolai - die uit nood met zijn vrouw en dochter uit het mooie hotel in Moskou terug moet keren naar zijn dorp - meer buitenstaander en kan hij ook meer oordelen.
Bij deze vroege verhalen is ‘Steppe’ uit 1888 eigenlijk een uitzondering, want het is geen situatie maar een echt verhaal waar het perspectief van het kind Jegoroesjka wordt onderzocht, op reis door de steppe met wel allerlei situaties waar hij van leert, maar waar het verhaal toch eerder een uitstap was naar landschapsverkenning, - altijd van dichtbij naar ver kijkend en beschrijvend- letterlijk een uitstap ook want Tsjechov ging destijds met net verdiend geld terug naar Taganrog, naar zijn jeugd en zocht er de steppe op.

Na die eerste opzetten zijn er andere mogelijkheden bijgekomen: de ideeen zelf worden besproken (over zich vrij voelen, wat kunst moet zijn en wat arbeid voor de maatschappij), en ook uitgesproken, door de hoofdpersonen. Bijv in De letterkundeleraar (1894) en in Mijn leven (1896) en in het Huis met de mezzanine (ook 1896). De twee verhalen over zelfstandig denken, ‘Een vervelende geschiedenis’ (1889) en ‘Zaal 6’ (1892) waar ideeen worden besproken horen daar ook bij, al zijn ze niet opgenomen in deze verzameling. Ook ‘Mijn leven’ (1897) is een ideeën verhaal, is het leven waarvoor je moet werken voor je eten niet veel echter dan een opgelegd leven wat je als het ware erft, en laat je toe dat iemand je zegt wat je rol is in het leven ? In die verhalen is er dus meer sturing gekomen. De schrijver bepaalt de principes van zijn hoofdpersonen, die zijn zichtbaar.

Nog een andere benadering die erbij gekomen is sinds 1892 of mogelijk zelfs de plaats heeft ingenomen van alleen maar situaties schetsen, is dat er een gezegde bijkomt, waaraan men bij de personen die ze uitspreken ook kan zien waar ze voor staan, zoals in Siberische ballingschap (1892) waarin de ene figuur zegt ‘God mag iedereen zo’n leven geven’ tegenover de nog in de menselijkheid gelovende figuur die zegt ‘dat er nog mensen leven in Siberië’. Zo’n verhaal is ook In de groeve (1900) waar de kwade genius ‘Iedereen heeft zijn eigen plek op de wereld ‘ zegt, en zijn vader die ‘Ieder het zijne’ zegt en tegen de boeren ‘God geve wat je toekomt’.

Als laatste ontwikkeling, maar ik moet zeggen dat ik nog niet veel voorbeelden heb gevonden, is er een overgang naar de personen zelf, die niet alleen voor ideeen staan, maar ze ook bezigen, en dat allemaal door het bedenken ervan, niet het uitgesprokene, zoals in De vrouw met het hondje (1899), met de vraag of men wel durft leven naar zijn ware aard, of dat dit in het geheim moet. Je kunt dit verhaal vergelijken met ‘Waar de vrouw regeert’ uit 1894, met Anna de rijke erfgename die alleen de fabriek voortzet en de keuze krijgt of ze een fabrieksarbeider als man zal nemen. Ook hier gaat Tsjechov op zoek naar de ware aard van zijn hoofdpersonen en hoe iemands ideeën vertaald worden naar handeling. Zoals Flaubert dat deed, hij laat hier en daar een gedachte toe, en is ook zonder oordeel, dat is verder aan de lezer.

Volgens Harvey Pitcher, Brits Slavist en liefhebber van Tsjechov, had Tsjechov een hekel aan critici, die hem probeerden in te kaderen. Verbaasd had hij gereageerd op een recensie, als zou hij al in zijn derde periode zitten. Hij had nog niet gezien dat er al een periode aan hem voorbij was gegaan. Daar zal ik dan maar bescheiden over zijn, en als verdediging opwerpen dat ik graag kijk naar de principes van mensen of hun gebrek daaraan, waarvan ik geloof dat Tsjechov dat ook deed.

Wat de vertaling betreft is er een begeleidend boek uit 2021 van Hans Boland bij de uitgeverij Pegasus, waar we in Nederland trots op mogen zijn, met interessante toelichtingen over de vertaling. De Boland of Nederlandse Tsjechov, de rol die hij zich aangemeten heeft, is een pedanterie die hem vergeven is. Boland is in dat boek vertaler, de lezer die geïnteresseerd is in achtergronden of hoe de context van een verhaal is, kan beter uit bij Nabokov’s commentaren zoals gegeven in lezingen aan de Cornell universiteit en uitgegeven als ‘De kunst van het lezen’ in 2004 bij uitgever Hoogland en van Klaveren.

Bij de uitgever Atheneum is op hun internet site ook een nawoord uit 2023 te lezen van Sophie Levie. Het is niet opgenomen in de pocket versie, wel in de gebonden versie. Naast een korte biografie van Tsjechov behandelt ze daarin wat uitgebreider vijf verhalen, Steppe (1888), In de groeve (1900), ‘t Boerenvolk (1897), Rothschilds viool (1894) en tenslotte Ionytsj (1898). De laatste wordt onder het kopje ‘Een hoger, glansrijk doel’ besproken, aan het eind van de review, want ergens moeten de figuren van Tsjechov toch ook iets willen, met daarin ook kort besproken Verloofd (1903), Mijn leven (1897), Een Petsjeneeg (1897), en De vrouw met het hondje (1899). Ze beschrijft dat in die verhalen de ‘heiligen en de zondaars om ‘t even’ - zoals de hoofdpersoon van Goesyev (1892) uitspreekt - samen beschreven worden, hun doel wordt niet meteen duidelijk, maar uiteindelijk wordt toch gewezen op een beter bestaan.

Een aantal even schitterende en beroemde verhalen van Tsjechov die niet in deze bundel van 30 zijn opgenomen zijn te vinden - naast de complete Tsjechov in de van Oorschot Russische bibliotheek- bij uitgeverij LJ Veen, ‘De dame met het hondje’ waarin opgenomen ‘De vlinder’, ‘Zaal 6’ in de vertaling van Marja Wiebes en Yolanda Bloemen. Dan is er ook nog een Rainbow Pocket met ‘Een vervelende geschiedenis’ (1889) vertaald door Tom Eekman, ‘Het verhaal van een onbekende’ (1893) vertaald door Anne Stoffel, en ‘Narigheid’ (1889) die hier in de titel anders vertaald werd door Anne Stoffel en wat bij mij juist weer begrijpelijker overkwam dan ‘Een ongelukkig geval’.

Reageer op deze recensie

Meer recensies van wemkok