Lezersrecensie

Lezen is hier beseffen


wemkok wemkok
18 mrt 2023

Het boek van Maurice Gilliams uit 1936 heeft twee cahiers met ieder een motto. Het eerste motto (Francis Jammes) vertelt over de pijn van poezie, het tweede (Friedrich Holderlin) over vergankelijkheid of de teloorgang van de jeugd. Na de eerste editie liet Maurice Gilliams het tweede cahier weg, maar in deze editie zijn ze er alle twee weer, hoe verschillend ook, ze vullen elkaar aan.

Het eerste cahier bevat de individuele ervaringen van de 12 jarige Elias in zijn grootouderlijk huis in de Kempen, temidden van zijn tantes en neefjes en nichtjes. Het is een genoegen die manier van authentiek ervaren te beleven, geschreven juist ook in de ik-vorm om de afstand zo kort mogelijk te maken. Hoe maak je zoiets ? Het zijn bijna fotografische momenten, waar de overgang tussen het ene en andere zomaar gebeurt, er is geen verteller die ertussen komt. De verteller van het tweede cahier, Olivier Bloem die beide cahiers ook introduceert, noemt deze indrukken ‘melodische verschuivingen’ alsof er dus muzikaal gevarieerd wordt. Toch zijn het vooral personen die uitgelicht worden: er is herhaald een direct contact met neef Aloysius, nichtje Hermine of tante Henriette, of met de strengere tante Theodora, maar ook zit hij naast zijn grootmoeder aan de dood te denken. De herinnering is daarmee niet een verhaal, maar een aan Elias gebonden ervaring die daardoor meebeleefd wordt. De lezer maakt vervolgens de verbinding, met het huis en omgeving, met Elias, met de anderen. Die verbinding staat er echter niet, niet in cahier een. In cahier twee wordt het een verhaal dat over Elias verteld wordt door een andere persoon, Olivier Bloem, de man van de introductie en degene die bij hem op het internaat zat (de verbinding met het verleden) en die in het tweede cahier de verteller wordt terwijl hij hem komt helpen als kunstschilder. Daar leren we eigenlijk voor het eerst iets over Elias van een externe bron, iets wat voor Maurice Gilliams mogelijk toch wel vreemd was om te doen, de halfverliefde Olivier krijgt ook weinig terug.

De taal in het eerste cahier is volwassen maar anders dan gewoon, bijna lichamelijk. Lezen is hier beseffen. In het tweede cahier is de taal meer beschrijvend, afstandelijker ook, de techniek nodig om Elias te beschrijven vanuit een andere persoon tijdens zijn internaat tijd (met onder meer de beschuldiging van fatterigheid, de verdenkingen die medeleerlingen uiten, het masochisme als Elias zich laat grijpen door studenten, de hang naar een vrijheid in de natuur) kan blijkbaar niet meer dezelfde zijn, en ook in het gedeelte waarin Elias volwassen is als architect maar nog in een eigen wereld gevangen is, is de afstand groter en is de verteller iemand die niet kan doordringen in de werkelijke Elias.
Met dat tweede deel is mogelijk het technisch verzaken van Gilliams de oorzaak van het later weglaten van dat tweede deel. Hij schrijft niet graag in de derde persoon over zichzelf.

Maurice Gilliams heeft tussen 1924 en 1927 autobiografische fragmenten opgeschreven in 3 schriftjes (te verkrijgen als Ontwarringen). Er was dus een bron, die - met fraaie passages - meer feitelijk is en dat het eerste cahier zo levendig is is dus een gevolg van bewerking, heel sterk gedaan met gevormde taal. Het is aanleiding om te denken dat als het geheugen fragmentarisch is, de echte beleving dat mogelijk ook wel is want het voelt als echte beleving. Het is de kinderervaring die benaderd wordt op een zintuiglijke manier en dat laatste moet juist ook gevoeld worden, het is vochtig of koud en men hoort van alles, het bewustzijn wordt actief als er in de vinger geprikt wordt. Of dat hij ergens een stap doet en de tijd meet, of ergens zijn naam roept op het veld voor de rivier. Dat hij die ervaring zo dicht mogelijk wil benaderen wordt ook duidelijk in het ontbreken van de voornamen van zijn vader en moeder, mensen die wel aanwezig zijn maar niet zoveel indruk maken als de ooms en tantes die allemaal met de voornaam genoemd worden. Degene die de meeste aandacht krijgen zijn tante Henriette, zijn 4 jaar oudere neef Aloysius met wie hij bootjes op de beek plaatst en met wie hij op maraude gaat, en nichtje Hermine met het verhaal over de blauwe hand.

Een mooie positionering van Maurice Gilliams in zijn tijd en van welke literatuur hij zelf hield staat in de Parelduiker 2000, door Anne Marie Musschoot (op internet dnbl met titel Schrijven als zelfondervraging. Het werk van Maurice Gilliams).

Later las ik de recensie uit 1994 van Charlotte Mutsaers, ‘Vlezige bliksems’ op DNLB internet uit het blad Optima. Ze bespreekt daar het fraaie verbinden van verleden naar het heden en nog veel meer. Een schitterende recensie.

De bespiegelingen van Filip de Ceuster achterin het boek vormen een sociologische tijdsaanduiding (rond 1920) van Antwerpen. Het project waar Elias de architect aan werkt in Antwerpen is uiteindelijk te groot voor hem, te weinig individueel.

Reacties

Meer recensies van wemkok

Boeken van dezelfde auteur