Lezersrecensie

Een tragische symphonie van eenzijdig verlangen naar een huwelijk


wemkok wemkok
13 mrt 2023

Maurice Gilliams begon aan ‘Gregoria of een huwelijk op Elseneur’ ergens in 1938 na zijn eigen mislukte huwelijk in 1935; hij publiceerde pas een deel in 1974 in de Dietsche Warande en Belfort (te vinden op internet bij DBNL) met daarna nog twee delen in 1980 (Raster) en in 1982 (De Gids). Hij had ook nog een ander manuscript, ‘Elseneur of het noodweer der spreeuwen’ over zijn kostschooljaren (voorpublicatie in Nieuw Vlaams Tijdschrift 1967, ook op DBNL in te zien) maar hij heeft toch eerst Gregoria willen afmaken. Daarbij lastte hij jeugdherinneringen uit Elseneur in o.a. over zijn grootvader en over zijn kostschool reprimandes door paters maar ook de gevoeliger bekentenis aan de hoofdpater van er liever niet willen zijn. Informatie over de ontstaansgeschiedenis en over zijn oeuvre kan men vinden in M de Jong, Droom bezit geen erfgenaam Meulenhoff Kritak 1993 en in Fragmenten uit het leven van een alchemist, van Anette Portegies in Nieuw Letterkundig Magazijn 2000, op DNBL te vinden. De recensie van Charlotte Mutsaers in NRC H (11 okt 1991, Eenzaamheid is de kern, weemoed is het donzen omhulsel, ook op internet) van Gregoria is ook de moeite waard, door de inzichten die ze probeert te krijgen als schrijver. Dat is wat dit boek ook verdient, wat het beoogt. De taal is in elk geval fantastisch, vermengd met Franse uitspraken en Vlaamse zinsvolgordes, en maakt de complexe gedachten van Elias helder, past er volledig bij.

Het postuum in 1991 gepubliceerde boek kan ingedeeld worden in de periode van de verloving voor het huwelijksfeest in de buurt van Antwerpen (het dorp genoemd Silversande) (tot 114), de ochtend voor het huwelijk (tot 151), het huwelijk zelf (tot 166) met de huwelijksnacht in Antwerpen (166-184) en de huwelijksreis naar Wallonië aan de rivier de Ourthe (waarschijnlijk Laroche met de Romeinse brug, tot 322) en naar de badplaats Heist aan de Zeeuwse kust (tot 374). Dan volgt nog een toelichting van Pierre Dubois.

Er zijn 3 citaten als motto’s en een eigen motto. Het eerste motto van Roger Bodart verklaart de titel, het huwelijk op Elseneur, de plaats waar Hamlet heengaat om zijn vader te wreken, maar in deze vergelijking is het vooral de persoonlijke plaatsbepaling, waar je je afvraagt of het een plaats is waar je mag bestaan of niet. Het tweede motto van André Suares is een aanklacht tegen religie, zoals die in het boek ook nog een aantal keer terugkomt, al is het vooral tegen de kerkelijke religie gericht. Het derde motto van Albert Verwey is een grappige toespeling op de bliksem waarmee het boek afsluit. Het vierde motto van hemzelf gaat deels over het schrijven (langzaam, het koste hem jaren) en over het langzaam lezen van nostalgische boeken zoals dit er een is, met de muziek die de lezer in het boek kan onderscheiden. Dit is wat Gilliams zelf al voor je doet, vertragen van het proza en veel herhalen, en hij merkt later op dat hij van contrapuntisch musiceren houdt waarbij het Le je en het Le moi bij elkaar komen (op pagina 47, het ik en het onbewuste ik).

Het huwelijk op Elseneur is (wederom, zoals Elias of het gevecht met de nachtegalen) een wordingsgeschiedenis voor Elias. Voor Elias is er de geschiedenis voor en erna, waarbij hij ook alles achter zich lijkt te moeten laten - zijn ouders vooral, want hij zal (niet geheel volgens zijn ideaal gericht op een eigen huis waarin hij Frances Jammes kan lezen en muzikale vrienden kan uitnodigen) met zijn toekomstige vrouw Gregoria gaan inwonen in het huis bij de kaarsenfabriek van haar ouders, vader en moeder Balthazar en hun andere dochter Vincentia. Naast dat zijn eigen familie ook direct een rol speelt vooral voor het huwelijk, met het fraaie ochtend bezoek van Tante Henriette, wordt daarna vooral steeds teruggegrepen op zijn individuele geschiedenis bij zijn ouders en ook zijn persoonlijke geschiedenis met zijn tantes Henriette en Theodora en tante Zenobie en oom Augustin die we al kennen uit Elias en het gevecht met de nachtegalen. Voor Elias is het heden er niet zonder het verleden. Een hoofdzaak is echter ook dat zijn moeder doodziek is en dat zij haar laatste taak op zich neemt om hem te laten trouwen. De symbolische droom van Elias aan het eind dat hij met zijn vader voor een wit kasteel staat (de Elseneur vergelijking) en er binnengaat met alle kamers vol herinnering aan het verleden waarna zijn moeder wegvliegt is voor hem de afsluiting van die periode.

Het huwelijk zelf is in dit boek een onbegonnen zaak, qua interesses en gesprek is er totaal geen overeenkomst te vinden; waarom vindt Elias dat niet erg genoeg ? Het intermezzo met de tearoom waarin hij een onderhoud heeft met mevr Balthazar over het verbreken van de verloving is hilarisch maar draagt tegelijkertijd bij aan het onbegrip. De verklaring is echter juist zijn leeftijd die maakt dat hij moet slagen; het gegeven dat hij nog geen kans heeft gehad, zijn gedachtes zijn te puur gehouden, zijn moeder leest hem Lamartine voor, zijn gedachtes waren te veel gekruid met religieuze verboden van zijn moeder en omgeving, zijn vader daarentegen en zijn eigen intelligentie leveren hem de stof voor vrijheid. Herhaaldelijk probeert hij de verklaring te vinden voor zijn falen (P 115) hoewel hij later de oorzaak ook wel bij Gregoria legt, althans bij haar opvoeding. Het is echter niet voor niets dat hij in het begin de eigen rol van Gregoria onderschat: ze zou geen toekomst en geen verleden schijnen te ervaren, en dat maakt hem blijkbaar in het begin niet veel uit.
De voorbeelden van zijn puriteinse gedachten (soms platonisch genoemd) haalt hij uit zijn vrijgezellen kamer: het portret van de naakte vrouw, Die Wahrheit van Hodler waarbij zijn neven zijn verering ervoor steeds bespotten (hij beschrijft het op p55, op internet heeft dit portret waar de foto op de binnenflap van gemaakt is, van 1903, de titel Bewunderung gekregen en hangt in Bern, de beschrijving van Elias is echter wel ditzelfde portret; de werkelijke betekenis die Hodler aan de afbeelding Die Wahrheit gaf was dat de vrouw het symbool was van de Dag, en later werd dit tot de Waarheid omgedoopt als steun aan het boek van Zola in zijn j’accuse bij de Dreyfus affaire, zie https://recherche.sik-isea.ch/en/everything/in/catalogues.hodler.band3.werkgruppen-fh zoek op Wahrheit en Bewunderung) en een beeld van de heilige Catharina. Ook de afbeelding van de man voor het venster van Henri de Braekeleer dat op de kamer hangt is een herkende eigenschap van hem zelf, de man is aan zichzelf overgeleverd. Maar alleen Die Wahrheit en de heilige Catharina komen nog terug aan het eind om definitief afgevoerd te worden, het idee over hun puriteinse geestelijke werkelijkheid is met de realiteit van Gregoria’s dorheid (frugaliteit) en de intriges van mevr Baltazar verdwenen.

Gilliams stijl van het herhalen is in wezen het gebruik van een muzikaal motief; als er in het begin steeds gezegd wordt ‘Morgen trouw ik met Gregoria’, waarmee de lezer weer even in de tegenwoordige tijd op het onderwerp gezet wordt, is er tegenovergesteld en al voor het huwelijk zelfs en ook daarna steeds ‘Gregoria was liever niet getrouwd’ in de verleden tijd. Daartegenover wordt dan weer gezet ‘Ik heb Gregoria lief’ of ‘Ik had Gregoria lief’ en ‘Van Gregoria blijf ik houden’ als enige nog overblijvende verklaring van het voortzetten van zijn pogingen een huwelijk te hebben zoals hij had gewild. Het belangrijkste motief om door te zetten met de plannen - tegenover de wens tot verbreking van verloving wegens het onwelkom zijn binnen de familie Balthazar- is dat het zijn enige kans lijkt om een huwelijk aan te gaan, als deze kans niet aangegaan wordt zal hij het niet langer proberen. Dat is dan weer tegenover de vermakelijke mevr Balthazar gesteld, de ‘vrouw van Potifar’, die haar eerste huwelijk liefst overslaat omdat ze daarna pas ontdekt wat ze wil. Zij wordt de gesel van Elias, die hem beïnvloedt en paait, van wie hij afhankelijk wordt om iets met Gregoria te beginnen. Althans, in de ogen van Elias, kan men dit perspectief goed zien.

Een opvallend kenmerk van Gilliams schrijven is dat niet alleen het vertel perspectief maar ook alle belevingsperspectieven volledig bij de ik figuur is, Elias Lasalle. Als anderen iets zeggen is het dat het wordt ‘verstaan gegeven’. Er is geen dialoog en daardoor lijkt inmenging van buiten onmogelijk, het maakt de beschrijvingen eenzaam. Het is dus alsof er een monologue interieur is die probeert te begrijpen wat er is gebeurd, en tegelijkertijd is er vanuit dat directe verleden rond de huwelijkstijd ook een aanroepen van het verleden van zijn jeugd. Het is deels escape, weg van de moeilijkheden die gebeuren om het als het ware weer op een rij te krijgen. Dat is meteen al zo in het begin van het boek als hij aan tafel voor het venster zit met Gregoria en mevr Balthazar, hij wordt afgeleid door ‘transformaties’ dwz een speldenkussen wordt een paddestoel (en in de versie van 1974 is er een zwart mannenportret van een Balthazar voorvader die hem begint aan te kijken). Een andere escape is de literatuur en gebeurtenissen daaruit.
De literatuur lijkt voor Elias trouwens de enige bron van zijn ‘weten’ over het huwelijk tussen man en vrouw. De voorbeelden die hij eerst noemt zijn etherisch, Holderlin, Alfons de Lamartine die door zijn moeder gelezen wordt, daarna alle tragisch: Gerard de Nerval, Alfons de Lamartine en ook weer Holderlin op p 298 en hij zegt ergens dat alle genieën eenzaam zijn gebleven; hij zou er echter mee kunnen leven een burgerbestaan te hebben als hij maar getrouwd kan zijn. Het is deze wat langzame bewustwording van deze teleurstelling die de lezer al eerder ziet, en die de schrijver dus ook ziet (en werkelijk beleeft als hij in de wachtkamer de grammofoon blijft afluisteren als de familie Balthazar met de auto arriveert), waar je je over kan verwonderen; nadat hij eerst de plichtmatigheid van een huwelijk lijkt te bevestigen en daarmee een soort onrecht voelt als Gregoria niet meewerkt, vraagt hij zich nog wel af of Gregoria niet ook geremd is door haar opvoeding op p220 en zoekt hij naar de verklaring waarom zij ‘liever niet getrouwd was’ en nadat hij het huwelijk ook gaat zien als een ‘Freitod’ om tot de naamloze onsterfelijkheid te gaan behoren (266) is het toch weer de hoop op een interventie van moeder Balthazar die haar dochter moet komen toespreken, een hoop die al meteen beseft wordt nutteloos te zijn zodra ze aankomt. Toch is het pas vrij laat p355 als hij zich duidelijk afvraagt of hij zich niet vergist heeft in Gregoria, dan zijn de gebeurtenissen ook steeds hilarischer geworden, net alsof alle Wahrheit verdwijnt en Bewunderung wordt.

Reacties

Meer recensies van wemkok

Boeken van dezelfde auteur