Lezersrecensie
Moeilijk maar buitengewoon intrigerend
Met A.D. slaat Gustaaf Peek een onbekende weg in: in het eerste deel is geen sprake van een hoofdpersoon en in het tweede deel blijft de protagonist vaag. Bovendien is het een roman zonder plot.
In het eerste deel reist de lezer mee op een schip onderweg naar ‘de Oost’; men gaat op zoek naar specerijeneilanden. Het schip herbergt een verzameling ongeregeld volk. Vooral ‘voor de mast’ hebben de mannen het zwaar. Dat zijn de bootsjongens, de matrozen, het voetvolk. ‘Achter de mast’ bevinden zich de verblijven van de kapitein, van de stuurman, van de weinig vrouwen aan boord zoals De Kraaien die in Middelburg aan boord zijn gegaan. Peek schrijft emotieloos over de ellendige omstandigheden waarin de zeelui werken. Zelfs in hun slaap zijn de mannen hun leven niet zeker, moeten zij zich hoeden voor een matroos die zijn pik tussen hun lippen probeert te duwen. Geen cent geeft men om een mensenleven. De rauwheid van het bestaan op het schip spat van de pagina’s, in gortdroog, constaterend proza. De auteur bezigt zinnen van soms meer dan een pagina, bijeengehouden door komma’s. Prachtig proza, waarbij klinkerrijm niet wordt geschuwd.
“Hij wil dit niet. Heeft een dier ooit met zo’n honger naar de dood van een soortgenoot verlangt, het houdt hem wakker, doet z’n handen misgrijpen op het want. Hij wil zich herinneren wie hij was, maar aan wie zou hij naar vroeger kunnen vragen, er lijkt zoveel meer achtergelaten dan thuis en tijd.”
Halverwege de roman hebben de hoofdstukken ineens geen nummer meer en het duurt even voor je beseft nu wel met een protagonist te maken te hebben. Het betreft een jonge ‘inboorling’, een halfbloed. Als een van de weinige oorspronkelijke bewoners van dat eiland in de Oost maakt hij contact met een scheepsjongen, Nicolaas. Het schip is inmiddels voor de kust in brand gevlogen en ontploft, de Hollanders verschuilen zich in hun fort om ‘de apen’ van zich af te houden. Nicolaas echter vestigt zich buiten die vesting, samen met Nel die als hulp van de kapiteinsvrouw is meegevaren. De verteltoon wordt een slag milder.
“Je blijft hier en bij ons. Zelfs het eten in het fort is een valse belofte. Toen ze hier kwamen, zagen ze ons als dieren. Daarna, nadat ze hier in de bomen iets zagen glinsteren, werden we slaven. Zodra we ons verzetten veranderen ze ons weer in dieren.”
Als je niet beter zou weten, als er geen moderne spelling was gehanteerd, zou je zweren dat Peek een van die bootslui is geweest. Dat hij er een van ‘voor de mast’ was die zijn wederwaardigheden beschrijft. Misschien was hij Nicolaas wel. Het is een ware prestatie een dergelijke roman te schrijven!
Correctie op de bij hebban verstrekte informatie: het boek bevat 352 pagina's.