Lezersrecensie
Je kunt wel vertrekken, maar ons nooit verlaten
René Unterlinden woont samen met zijn Belgische ouders in appartementencomplex The Gardens in New York City. Hij ambieert filmmaker te worden. Als een vreemd gezin zich vestigt in The Gardens, beseft René dat het goud via hen voor het oprapen ligt.
Nero Julius Golden heeft samen met zijn zoons Petya (van Petronius), Apu (van Lucius Apuleius) en D (van Dionysos) een luxe appartement betrokken. Over hun afkomst laten zij zich alleen uit in termen als “het land dat niet genoemd mag worden” en “de stad waarvan de naam taboe is.” Het stel wordt geaccepteerd door de andere bewoners vanwege hun excellente smaak, uitmuntende kledingstijl en perfecte beheersing van de Engelse taal. ‘…they were no more eccentric than, say, Bob Dylan or any other sometime local resident.’ René is al snel kind aan huis in the Golden house.
Vrijwel aan het begin van het boek laat Rushdie verteller René al aangeven dat het niet goed zal aflopen met de familie Golden. Hij geeft hints inzake intriges binnen het gezin, kondigt een moord aan en rept over een duister verleden in Mumbai. Om een of andere reden hebben de Goldens die stad halsoverkop verlaten. Met het fortuin dat Nero in zijn vaderland heeft vergaard weet hij zich in NYC binnen de kortste keren een van de grootste projectontwikkelaars van de stad. Alles lijkt het gezin voor de wind te gaan, maar niets is minder waar. Zo blijkt oudste zoon Petya een drankzuchtige autist, die overigens zeer succesvolle games ontwikkelt. Apu interesseert zich in het geheel niet voor het doen en laten van zijn vader, maar stort zich op de kunsten: niemand kan zulke mooie portretten schilderen als deze knappe jongeman, waarvoor elke vrouw in katzwijm valt. De jongste, D, worstelt in meerdere opzichten met zijn identiteit. Hij is achttien jaar na Apu geboren, uit een buitenechtelijke relatie. Het verhaal gaat dat zijn moeder is verbannen of erger. Bovendien weet D niet of hij man of vrouw is.
Meer en meer wordt René vertrouwd door de verschillende Goldens. Nero wil de buurjongen graag behulpzaam zijn bij het realiseren van z’n droom en vertrouwt hem zaken toe die voor de rest van de wereld onkenbaar moeten blijven. Als Vasilisa, een Russische gold digger, Nero aan zich weet te binden, hebben de zonen nog maar één vertrouwenspersoon: René. De ongelofelijk knappe Vasilisa weet hem echter eveneens in te palmen, zozeer zelfs dat hij zich laat verleiden een kind bij haar te verwekken: Vespa (Vespasius). Daarna heeft René voor Vasilisa afgedaan; zij heeft haar toekomst veilig gesteld. Vanaf nu neemt zij de troon van de oude keizer over.
Zoals René al heeft aangegeven, loopt het slecht af met de Goldens. Geen van de drie zonen overleeft hun vader. Diens verleden haalt hem in als de Z-company, een Indiase maffiose organisatie, hem weet op te sporen. Zij hadden hem al gewaarschuwd, toen hij nog onder een hoedje met hen speelde in Mumbai: je kunt wel vertrekken, maar je kunt ons nooit verlaten.
In recensies over dit boek wordt het vaak genoemd als reactie op de verkiezing van Donald Trump tot president van de VS. Inderdaad komt de laatste president in beeld als een man met sluik groen haar en een wit bepoederd gezicht. De ontluistering van een Amerika dat zich keert tegen kunstenaars en intellectuelen, dat slechts haar eigen waarheden als legitiem erkent en feiten als fake news betitelt, een land waarbij vrouwonvriendelijkheid, seksisme en racisme (weer) tot norm wordt verheven. Die boodschap heeft Rushdie de lezer vast willen meegeven, maar het boek zit veel vernuftiger in elkaar. Nero is geen Trump, hij is de metafoor van verval, van de ultieme ondergang.
In The Golden House refereert Rushdie regelmatig aan (bekende) films en literaire werken. Als je daar een beetje in thuis bent, ontdek je nog meer in dit uitmuntende verhaal.