Lezersrecensie
Journalist op zoek naar missie
Voordat het uiteenviel tot een reeks van interessante anekdotes en leuke weetjes, had ik het gevoel dat ‘Mensen op Mars’ de beste sciencefiction was die ik in jaren had gelezen. Merkwaardig misschien om een non-fictieboek als sciencefiction te bestempelen, maar er valt naar mijn idee toch veel voor te zeggen. Het concept dat Bas Lansdorp en Arno Wielders in 2011 met Mars One lanceerden (kolonisten naar Mars sturen zonder kans op terugkeer naar de Aarde), had voldoende schijn van wetenschappelijke haalbaarheid om niet onmiddellijk door iedereen als hersenspinsel van de hand te worden gewezen, maar dat het als fiction vruchtbaarder was dan als toepasbare science was vanaf het allereerste begin al wel duidelijk. Niet voor niets moest de hele onderneming immers gefinancierd worden door een realityshow, geproduceerd in samenwerking met Endemol.
Ook Van Casteren zet sterk in op het human interest aspect van het verhaal. Verschillende betrokkenen bij de Mars-missie worden volgens het bekende Van Casteren-procedé (d.w.z. gortdroog en onaangedaan) geportretteerd. Hierdoor ontstaat iets wat op het eerste gezicht misschien door kan gaan voor objectieve registratie, maar door montage van observaties en citaten wordt zo ongeveer iedereen door het fijn zuigende pennetje van Van Casteren vermalen tot een wat sneu figuur met een vaak schrijnend tekort aan zelfinzicht en realiteitszin. Dit wringt wel eens. Uiteraard lopen de geïnterviewden met open ogen in hun eigen mes. Zij zijn degenen die zich hebben opgegeven voor Mars One waardoor ze zich willens en wetens in de schijnwerpers hebben geplaatst. En Van Casteren kan het natuurlijk ook niet helpen dat er zo’n tragische kloof gaapt tussen de grootse droom van interplanetaire migratie en de lullige realiteit van slonzigheid in nieuwbouwhuizen achter geluidswallen, onzeglijke kinderen, partners die hun bedenkingen hebben (of erger nog: juist niet) en verwachtingen die verontrustend zwaar lijken te leunen op kijken naar Star Trek, spelen met ruimtevaart Lego en het lezen van sciencefiction. Niettemin lijkt de balans wel eens door te slaan naar iets wat in de buurt komt van sarcasme en leedvermaak. In de verantwoording zegt de schrijver weliswaar dat hij een eigen manier van kijken en schrijven heeft, waardoor er van objectiviteit niet altijd sprake hoeft te zijn. Toch vraag je je als lezer (bijvoorbeeld bij de portretten van croupier Kroezen en de Deense deelnemer Christian Knudsen) onwillekeurig af of de auteur deze kwetsbare mannen niet meer tegen zichzelf in bescherming had moeten nemen.
De verantwoording is om nog een reden interessant: Van Casteren geeft aan dat het boek zijn oorsprong vond in de reportage over kandidaat Kroezen. Tijdens het schrijven van dat verhaal zag hij in hoe rijk het gegeven van een menselijke migratie naar Mars was en besloot hij er een boek van te maken. De vraag is of dat wel zo gelukkig uitpakt. Kroezen bereikt de tweede ronde niet en de Nederlandse kandidaten die wel doorgaan zijn veel nuchterder en aanmerkelijk minder uitgesproken. Van Casteren zoekt nog wat buitenlandse deelnemers op, waarvan de blowende Oostenrijkse rocker en de Engelse transgender wel de meest aansprekende zijn, maar op een gegeven moment is wel duidelijk wat mensen zoeken op Mars of beter misschien, waaraan ze proberen te ontkomen op Aarde. Ook het contrast tussen het gekissebis en de achterklap hier en de droom van verdraagzaamheid en utopie daar is dan wel klip en klaar geschetst. Tegen de tijd dat de schrijver naar Rusland gaat om daar met deelnemer Stepanova een ruimtevaartweekend te bezoeken, slaat bij de lezer en waarschijnlijk ook bij de schrijver de verveling toe. Weer een treurige bijeenkomst die gebukt lijkt te gaan onder een collectieve vorm van Asperger. In tegenstelling tot gezelligheid, blijkt lulligheid wel degelijk tijd te kennen.
Dit materiaal had een mooie en belangwekkende reportage kunnen opleveren, zeker als Van Casteren bereid was geweest om door te vragen en (veel) dieper in te gaan op de technische, financiële en ethische aspecten van de Missie. In plaats daarvan koopt hij echter een telescoop en duikt hij in de geschiedenis van het kijken naar en speculeren over Mars. Hier begint het boek een beetje uit de rails te lopen. Het strekt de schrijver vanzelfsprekend tot eer dat hij zich niet tevreden stelt met het behendig parafraseren van Wikipedia en in plaats daarvan de moeite neemt om af te reizen naar het Deense eiland Ven, Weil-der-Stadt, Praag, Middelburg, Den Haag en Arizona, alwaar hij de lokale kleur opsnuift waarover hij vervolgens (onaangedaan en gortdroog uiteraard) rapporteert, maar het verband met Mars One is wel erg dunnetjes. Ook wordt pijnlijk duidelijk dat hij geen wetenschapsjournalist is. In zijn drang om aan te tonen dat Mars al van oudsher een onweerstaanbare aantrekkingskracht had op allerlei gekkies, worden, door de human interest benadering die hij hanteert, serieuze vorsers en wetenschappers als Keppler en Huygens op een lijn gesteld met charlatans (Percival Lowell) en regelrechte sociopaten (Tycho Brahe). Als de schrijver zich dan ook nog gaat interesseren voor meteorietinslagen en zelfs naar Cheljabinsk vliegt om de gevolgen van de inslag van 2013 in kaart te brengen, vloeit alle lijn, samenhang en urgentie uit het boek weg. Wat overblijft is een rommelige vergaarbak van over het geheel genomen best interessante en altijd goedgeschreven stukken, waarbij de vraag zich wel steeds sterker opdringt of Mars One niet een veel steviger journalistieke benadering vergt in plaats van de toch wat vrijblijvende, alle kanten op fladderende, particuliere nieuwsgierigheid van Van Casteren. De menselijke migratie naar Mars is een rijk gegeven, dat heeft hij goed gezien, maar hij lijkt niet de juiste persoon om die rijkdom tentoon te spreiden.