Kees van Duyn Hebban Recensent

Lee Child, een pseudoniem voor Jim Grant, is vooral bekend geworden door zijn langlopende serie rond personage Jack Reacher, een voormalig majoor van de Amerikaanse militaire politie. Daarnaast heeft hij eveneens een aantal korte verhalen geschreven en nu staat er ook een non-fictie op zijn naam. Dat is het eind februari 2020 verschenen essay De held, waarin hij een antwoord probeert te geven op de vraag wat een held is, maar ook wat een held kenmerkt en waarom de een wel en de ander niet als zodanig wordt beschouwd.

‘Van de Griekse tragedies tot Robin Hood en James Bond’

Wie deze tekst op de cover van De held leest, denkt al gauw dat Child in zijn essay een aantal personages uit de oudheid, verhalen, films en ook boeken bespreekt. De lezer verwacht dat hij dieper op hen ingaat, wat hen gemaakt heeft tot wat ze zijn. Waarom ze vooropgaan in hun strijd, ergens in uitblinken of bereid zijn zichzelf op te offeren voor een groter doel. Achteraf kan echter worden geconcludeerd dat deze verwachting zo goed als niet opgaat. Alleen de Engelse volksheld Robin Hood heeft de eer gekregen dat de auteur wat dieper op zijn status ingaat. De rest komt er nogal bekaaid vanaf. James Bond, een van de meest aansprekende spionageheld uit Groot-Brittannië, komt zelfs helemaal niet aan bod, hoewel wel gezegd moet worden dat Ian Flemings Dr. No terloops wel even wordt genoemd.

Child heeft een relatief lange inleiding nodig om het woord ‘hero’ etymologisch te verklaren, waarbij hij begint met de klaproos. En passant neemt hij de Duitse chemicus Felix Hoffmann mee, zet hij de evolutie van de mensheid nogal omslachtig uiteen en maakt daarbij regelmatig gebruik van een rekensom met de generatie vrouwen van zijn moederskant als voorbeeld. Pas tegen het eind van zijn relaas – de lezer heeft inmiddels hoofdstuk zeven bereikt (het essay kent er negen) – komen de eerste personages die als held beschouwd kunnen worden om de hoek kijken. Dat gebeurt in een erg kort hoofdstuk, en het aantal besproken oudheidkundige helden is zeer beperkt. In het slothoofdstuk gaat de auteur summier op het woord ‘held’ in, maar ook in welke context het tegenwoordig nog wel eens wordt gebruikt.

Hoewel het er aanvankelijk op lijkt dat de auteur er van alles bijhaalt wat op het moment van schrijven in zijn gedachten opkwam, zit er toch een bepaalde lijn in zijn uiteenzetting. De rode draad die hij daarbij hanteert, is vooral van etymologische aard. Daarbij is het in zijn ogen noodzakelijk om bij de Griekse oudheid te beginnen, een paar zijwegen te bewandelen om vervolgens, met een aantal voorbeelden en het ventileren van zijn gedachtegang, te eindigen in de huidige tijd. De held, in een vertaling van Jan Pott, moet dan ook zeker niet gezien worden als een lofzang op de fictieve held. Het is hoofdzakelijk Childs persoonlijke visie op dit misschien wel wonderbaarlijke fenomeen.

Reacties op: Geen lofzang op de fictieve held

Gesponsorde boeken